Trio Boskoop

Citosa

Jelle Kok

Westnederland

ZWN

Connexxion

 

Centraal Nederland

Eltax Leiden

Enhabo

HTM

Maarse & Kroon

Midnet

NZH

NBM

Novio

Oostnet

Oranjebus

Pieper

RET/RTM

Schutte

SVD Dordrecht

Ten Broek

Tensen

TET

VAD

VAGU

Van Gog

VSL

Wabo

WSM

Zuidwestnederland

 

Friesland

Groningen

Drenthe

Overijssel

Gelderland

Utrecht

Noord-Holland

Zuid-Holland

Zeeland

Brabant

Limburg

1. VAN PAARDENTRAM TOT TRAMPLUS

Een reis door de tijd

door.Jacq. van der Meer

 

HET BEGIN

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam in Nederland het spoorwegverkeer aarzelend op gang. Verschillende spoorwegmaatschappijen waren in en om Rotterdam actief elk met eigen stations. Een reiziger die uit het zuiden kwam en zijn reis in de richting Gouda wenste voort te zetten, was gedwongen om van Station Delftse Poort of Beurs naar het Maasstation te gaan. Enkele paardenomnibusmaatschappijen verzorgden dit vervoer, onder meer de Nieuwe Omnibus Onderneming (NOM) die een lijn exploiteerde tussen de Hoflaan en het Park via het Beursplein. De rijtuigen waren voorzien van een imperiaal, waarop de heren plachten plaats te nemen, terwijl de dames hun plaats in het rijtuig zochten. Ook na de invoering van de paardentram bleef de NOM nog jarenlang concurreren. Verder was er aan openbaar vervoer weinig behoefte.

Rotterdam had een klein stadsoppervlak en men was nu eenmaal gewend te lopen.

 

DE PAARDETRAM

In 1879 was de bebouwing van Rotterdam al zodanig uitgebreid dat, in navolging van Den Haag en Amsterdam, een railnet tot stand kwam. De in 1878 opgerichte Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM) ging met paardentractie dit net verzorgen. Op 1 juni 1879 werd de eerste lijn geopend tussen het Beursplein en de Crooswijkschekade (lijn D). Nog in dezelfde maand kwam lijn B in dienst tussen de Schiedamschedijk (ongeveer ter hoogte van het Schielandshuis) en het Park, gevolgd op 1 oktober 1879 door lijn A tussen Beursplein en het Centraal Station. Waar in de volksmond dit laatste station Delftse Poort heette, sprak de RTM dus van Centraal Station. Lijn E zou gaan rijden tussen het Beursplein en de Hoflaan, maar verkeersproblemen waren er de oorzaak van dat Kralingen eerst in 1884 een verbinding met het Beursplein kreeg, dit zeer tot ongenoegen van de Kralingse beursbezoekers. I.ijn C werd op 18 januari 1880 in dienst gesteld tussen de Binnenwegschebrug en het Willemsplein en lijn F op 4 februari 1880 tussen het Centraal Station en het Oostplein. In het kader van dit artikel voert het te ver om alle wijzigingen in dit net te vermelden: wel kan worden gezegd dat de RTM meer dan een kwart eeuw kans zag dit net winstgevend te exploiteren.

Inmiddels was men in Amsterdam en Den Haag tot elektrificatie van het trambedrijf overgegaan, dus Rotterdam kon niet achterblijven. De RTM had intussen in en buiten Rotterdam Zo' n scala aan activiteiten ontwikkeld dat werd besloten tot afsplitsing van taken en in 1904 werd de Rotterdamsche Electrische Tramweg Maatschappij (RE'I'M) opgericht.

Eén van de ativiteiten van de RTM betrof de exploitatie van een stoomtramdienst tussen

Rotterdaln en Schiedam, in dienst gestelcl op 9 april 1881 Op 12 oktober 1903 werd, na acties van buurtbeo)ners (ook toen al!), de lijn ingekort tot de Duyststraat en werd het gedeelte tussen Duyststraat en Van Oldenbarneveltstraat door de paardentram bereden. Ook was de RTM actief op de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden, waarvoor vanuit de Rosestraat een tramnet werd opgezet dat uiteindelijk zo' n 240 kilometer zou gaan beslaan.

 

De Paardentram (Verz. OR)

 

ONDER DE DRAAD

We keren echter terug naar de stadstram. Op 19 september 1905 werd de eerste electrische tramlijn, lijn 1, vanaf de Honingerdijk via het Beursplein naar het Park in gebruik genomen. Daar bleef het geruime tijd bij. Pas op 15 oktober 1906 kwam lijn 2 in dienst tussen het Stationsplein en Feijenoord, waarbij met Feijenoord het Noordereiland (Prinsenhoofd) werd bedoeld. Daarna ging het hard: op 25 oktober 1906 startte lijn 4 tussen het Oude Hoofdplein en het Willemsplein en op 28 november van dat jaar lijn 3 tussen de Benthuizerstraat en de Boompjes. Op 17 december 1906 kwam lijn 7 in dienst als ringlijn vanaf het Beursplein via Coolsingel, Mauritsweg, Nieuwe Binnenweg, Havenstraat, Westzeedijk, Schiedamsedijk en Noordblaak weer naar het Beursplein. Ook vanaf het Beursplein ging lijn 8 op 17 december 1906 de dienst naar Schiedam ( Koemarkt) onderhouden, wat automatisch het einde van de stoomtramdienst op Schiedam betekende. 1ijn 5 ging op 13 maart 1907 rijden tussen de Middellandstraat en de Oudedijk, lijn 6 op 27 maart 1907 tussen de Walenburgerweg en de

Boompjes. Een buitenbeentje was lijn 9 die op 13 april 1907 in Rotterd Zuid als enige electrische tramlijn in dienst kwam en wel tussen de Grientweg en de Wilhelnlinakade.

 

De trams op deze lijn bleven op de rechter Maasoever in onderhoud, transport van en naar de werkplaats vond plaats per sleperswagen. Op 17 januari 1911 tenslotte werd lijn 10 tussen de Ruigeplaatbrug en de Zaagmolenstraat in dienst gesteld, waarmee het voorlopige RETM net was voltooid. Uiteraard vonden in dit lijnennet vele veranderingen plaats. In 1917 werd het uitgebreid toen op 15 oktober lijn 11 haar opwachting maakte tussen het Lisplein en de Mathenesserdijk. Op 3 oktober 1921 kreeg Rotterdam_Zuid een tweede electrische tram, lijn 13, die tussen de Wilhelminakade en de Groene Hilledijk ging rijden. Een stoomtramdienst tussen Vreewijk en de Rosestraat, die ongeveer een half jaar had gereden, kon toen vervallen. Lijn 14 kwam op 9 mei 1922 in dienst tussen het Stationsplein en de Bergweg. Pas op 24 mei 1938 werd naar het huidige eindpunt in Hillegersberg gereden.

 

ANDER VERVOER IN EN OM ROTTERDAM

In 1882 ging een paardentram rijden tussen het Hofplein en Hillegersberg. Nadat lijn 14 tot Hillegersberg was doorgetrokken kwam een eind aan deze paardentramdienst. Een buitenlijn die het niet langer volhield, was de tramlijn naar Overschie. In 1884 had de IJssel Stoomtramweg Maatschappij een lijn geopend tussen het Slagveld en Overschie. Deze lijn werd reeds in 1890 opgeheven, doordat na een dodelijk ongeval de gemeente Rotterdam de tram niet meer binnen haar grenzen toeliet. De RTM opende vervolgens een omnibusdienst naar Overschie en ging, na spoorverbreding, dit traject niet paardentrams berijden. Dit duurde tot 1923. Toen besloot de RETM, die ook deze lijn had overgenomen van de RTM, op dit traject met motortrams te gaan rijden. Met de aanschaf van motortrams was men snel klaar, enkele rijtuigen van de paardentram werden van Ford_benzinemotoren voorzien. Nieuw was een gelede tram, die bestond uit twee in beheer gebouwde (verbouwde?) rijtuigen, verbonden door een leren harmonica. Het latere succes van de gelede tram was geen gevolg van de ervaringen met dit vehikel, de rijeigenschappen waren en bleven pover...

 

Motortrams (Verz. J. v.d. Meer)

 

Bron: Ons Rotterdam Populair; Historisch Tijdschrift voor Groot Rotterdam Afl. 2/3-1996

2. VAN PAARDENTRAM TOT TRAMPLUS -vervolg-

 

Autobusgeschiedenis

Verheul Waddinxveen

NS 4400

AEC/Verheul Argentinië

Bussen op hout en gas generatoren

De NZH-tram in het dagelijkse leven

Gemeente tram Oudewater

De Crossley Bussen

De laatste bus op Dolle Dinsdag

De laatste Oplegger

Trolleybus

 

(c) OV in Boskoop - Alle rechten voorbehouden-Overname in gedrukte of digitale vorm zonder toestemming niet toegestaan