|
2. VAN PAARDENTRAM TOT
TRAMPLUS -vervolg-
DE LAATSTE JAREN VAN DE
RETM
De Eerste Wereldoorlog was
van invloed op het reilen en zeilen van de RETM. Veel beambten waren in
militaire dienst, leverantie van nieuw materieel stagneerde en materieel moest
voor gewondenvervoer beschikbaar blijven. Gelukkig hoefden deze rijtuigen als
zodanig geen dienst te doen. Kolenschaarste was de oorzaak dat de frequenties
moesten
worden verlaagd, haltes
moesten worden opgeheven, ritten in de late avonduren moesten vervallen en de
rijsnelheid moest worden verlaagd. Bovendien zorgden voedselschaarste en sterk
gestegen prijzen voor een arbeidsconflict, waardoor in mei 1919 een staking
onder het personeel uitbrak. Vier weken lang reed er bijna geen tram, slechts
een handjevol werkwilligen slaagde erin om op sommige lijnen een zeer beperkte
dienst te onderhouden.
Intussen was ook
Rotterdam-Zuid uitgegroeid tot een stadsdeel van aanzienlijke omvang. Op 1
september 1926 kreeg: "Zuid" einde lijk een rechtstreekse verbinding met het
centrum. Lijn 12 ging op deze datum rijden tussen het station Delftse Poort en
de Groene Hilledijk (Randweg), en maakte daarbij gebruik van een noodbrug
over de Koningshaven en van het nieuwe viaduct aan de Varkenoordsekade. Nog in
1926 werd het definitieve eindpunt aan de Groene Zoom bereikt. Lijn 12a kwam te
rijden tussen de Groene Hilledijk en het Aelbrechtsplein, maar werd al op 1
mei 1929 opgeheven.
Lijn 2 tenslotte werd in
dienst gesteld tussen het station Delftse Poort en de Vlaskade.
DE RET
De vergunning van de RETM
liep in 1927 af en de gemeente Rotterdam wenste zelf de Exploitatie van het
lijnennet ter hand te nemen. Op 15 oktober 1927 vond de overdracht van Personeel en materieel
plaats aan de nieuw opgerichte Rotterdamse Electrisch Tram (RET). Directeur Dr.Ir.
J.G.J.C. Nieuwenhuis liet studies verrichten naar de opzet van het lijnennet, de
wijze van tariefstelling en soortelijke zaken. In 1928 verscheen een rapport,
waarin werd gesteld dat in Rotterdam achtentwintig tramlijnen zouden moeten
komen. De verbinding met Rotterdam- Zuid kon sterk worden verbeterd door het
opvijzelen van de Willemsbrug en het in gebruik nemen van een nieuwe brug over
de Koningshaven. Op 1 mei 1929 werd lijn 3 verlengd naar de Groene Hilledijk,
lijn 9(II) kwam in dienst tussen het Aelbrechtsplein en de Randweg, lijn 19
ging rijden tussen het Beursplein en de Randweg en tenslotte kwam lijn 25 in
dienst tussen het Beursplein en de Carnisselaan. Dit had één groot nadeel:
vanaf het begin van de Willemsbrug tot aan de Tweede Rosestraat moesten alle
lijnen over dezelfde baan rijden, Wat een nadelige invloed had op de
exploitatiekosten. Toen in 1930 de gevolgen van de economische crisis zich
begonnen te openbaren, bleek al spoedig dat het ambitieuze tramplan gedoemd
was te mislukken. Om een zo gunstig mogelijke exploitatievorm te bereiken reed
het nieuwste materieel de gehele dag, slechts in de spitsuren aangevuld met het
oudere materieel dat geleidelijk aan in de nieuwe kleurstelling op straat
kwam.De remise Kralingen werd als bezuinigingsmaatregel buiten gebruik gesteld
en deed nog slechts dienst als opslagplaats van oud materieel. In 1934 kwam de
paardentram voor een korte, maar glorierijke tijd terug Van 30 augustus tot 9
september reed deze in het kader van een VVV-week op he traject Schiedamschedijk
- Westzeedijk.
De belangstelling was
groot, groter dan voor het regulieren RET-net, waarvoor, als gevolg van de
economische crisis voor steeds meer mensen de tarieven niet meer op te brengen
waren. Tariefsaanpassingen en reorganisaties betroffen een nieuwe opzet van het
tramnet die, gelijk met het een nieuw tariefsysteem, op 1 juli 1936 van kracht
werd.
In 1937 werd lijn 17 als
spitsuurtramlijn in dienst gesteld, ter ontlasting van lijn 7 waar, evenals op
lijn 15, het oude materieel bleef rijden. Jaren na de oorlog zou op “Zuid” lijn
12 ook deze rol toebedeeld krijgen, als aanvulling op lijn 2. Ook ging met over
tot splitsing van lijnen. Lijn 10 opgedeeld in lijn 10 tussen de
Soetendaalscheweg en spangen, en lijn 10a op het traject Pieter de
Hoochweg-Hillegersberg. Lijn 14 verzorgde het traject
Willemsplein-Soetendaalscheweg en lijn 14a het traject station Delfse
Poort-Hillegersberg.
In 1938 vonden
feestelijkheden pllats ter gelegenheid van het veertigjarige regeringsjubileum
van Koningin Wilhelmina. Wederom reed de paardentram, evenals enkel museumtram,
en wel op het traject
Beursplein-Schiedamschedijk-Westzeedijk-Mauritsweg-Kruiskade-Coolsingel-Beursplein
Ook een stoomtram van het
Marconiplein naar Schiedam moest de herinnering aan de RTM_lijn naar Schiedam
levend houden en de feestvreugde verhogen, net zoals een model van het
stoomschip Nieuw Amsterdam, dat op het onderstel van een vierasser was geplaatst
en door een ouderwetse zwaaibeugel stroom van de bovenleiding afnam. Het waren
de laatste grote feestelijkheden in het vooroorlogse Rotterdam; in de verte
rommelde de donder al...

MOEILIJKE JAREN
Op de vijfde oorlogsdag
werd Rotterdam zwaar getroffen door een Duits luchtbombardement.
Aangezien er geen
tramremises werden getroffen, was er alleen schade aan enkele wagens die op 10
mei vroeg in de morgen waren uitgereden en geen kans meer hadden gezien de
remise weer te bereiken. Erger waren de bussen van de RET eraan toe, doordat de
garage aan de Lusthofstraat zwaar werd getroffen. De geschiedenis van de RET~bussen
vindt u elders op deze website.
Het tramnet zelf had wel
enorme schade geleden. Kwamen de rails vaak ongeschonden onder het puin vandaan,
de bovenleiding moest bijna volledig worden vernieuwd. Dankzij de hulp van het
Haagse en Amsterdamse trambedrijf kon al op 17 mei de dienst gedeeltelijk
worden hervat. Al spoedig nam het aantal reizigers toe. De platgegooide
binnenstad noodde niet direct tot wandelingen en ook was er al snel gebrek aan
benzine en fietsbanden.
Aanvankelijk kon de RET dit
vervoer nog wel opvangen, vanaf 1942 echter begon de langzame inkrimping van het
net. Waren er in 1942 nog achttien tramlijnen, in 1943 was dit aantal gedaald
tot elf.
Vroeg in de avond moest op
last van de bezetter de dienst worden beëindigd. In 1943 leidde de ingekrompen
stroomvoorziening tot verdere beperking van de dienst. Tot overmaat van ramp
werd op 31 maart de omgeving van de Schiedamscheweg als gevolg van een
Amerikaans bombardement zwaar getroffen. Onder de vele doden bevonden zich ook
passagiers van enkele tramtreinen die daar door de gebeurtenissen werden
verrast.
Op 17 april 1944 werd lijn
20(II) in dienst gesteld tussen de Alettastraat en het Marconiplein als versterking van lijn
22. Op 1 december 1944 stopte de RET haar diensten, zodat lijn 20(II) slechts
227 dagen in dienst bleef Wie denkt dat dit de lijn met de kortste levensduur in
de geschiedenis van de RET is geweest, moeten we wijzen op lijn 11(II) die het
in 1967/68 slechts 151 dagen volhield...
Zoals gezegd, kwam op 1
december een einde aan het reizigersvervoer. Slechts een aantal wagens bleef
rijden, onder andere voor het vervoer van meel voor bakkerijen en gamellen voor
gaarkeukens.De bezetter 'kocht' in Rotterdam, evenals in andere steden,
trammaterieel ter vervanging van Duits materieel dat bij luchtaanvallen verloren
was gegaan. In totaal verdwenen dertig vierassers, negentien aanhangwagens, elf
oudere motorwagens en drie werkwagens richting Duitsland. Hiervan hebben in
Bremen de gevorderde vierassers inderdaad dienst gedaan. Alleen vierasser 45S
werd na de oorlog niet meer opgespoord en dertien naar het vaderland
teruggekeerde rijtuigen waren een herstelbeurt niet meer waard en werden
afgevoerd.
NAOORLOGS HERSTEL
Na de bevrijding op 5 mei
1945 duurde het nog ruim een maand voordat de eerste trams weer konden gaan
rijden. Maar op 8.juni startte de RET in de spitsuren met vijf lijnen, te weten
de 1ijnen 2 (station Delftse Poort _ Vlaskade), 3 (Blijdorp _ Groene Zoom), 8
(Van Oldenbarneveltstraat _ Schiedam), 10 (Ruigeplaatbrug _ Hillegersberg) en 16
Oude Dijk - Marconiplein). We kunnen
ons nauwelijks een indruk vormen van de moeilijkheden waarmee het personeel te kampen
had. Het materieel had in de oorlogsjaren zwaar te lijden gehad door de grote
aantallen reizigers en het gebrekkige onderhoud, in de werkplaatsen was gebrek
aan gereedschappen en materialen en personeel verscheen ondervoed op het werk,
maar men klaarde het en op 17 juli werd er weer op zondag gereden. Als dank voor
de hulp die het Haagse trambedrijf in de meidagen van 1940 had geboden, verkocht
de RET veertien oudere motorwagens aan Den Haag, ondanks het feit dat in
Rotterdam op dat moment nog geen tweehonderd motorwagens dienstvaardig waren.

Het was duidelijk dat er
nieuw materieel moest komen. Bij Allan werden tweeën zeventig vierassige
motorwagens met bijbehorende bijwagens besteld.
Deze waren in grote trekken
gelijk aan de oudere vierassers, alleen de bestuurder kreeg een vaste zitplaats.
De lopende conducteur en de middeninstap werden gehandhaafd. Twee proefwagens
kwamen in 1948 in dienst. Helaas bleek toen dat als gevolg van de
geldontwaarding de order tot vierendertig stuks moest worden teruggebracht.
Nadat deze serie was geleverd, kon het oudste materieel, de 'Parkwagens', naar
de sloper. In 1955 maakte Rotterdam opnieuw kennis met de geledetram. Schindler
in Zwitserland leverde veertien gelede zesassige trams en vijftien vierassige
motor_wagens. Een nieuwtje was dat nu ook de conducteur een vaste zit_plaats had
gekregen. Men moest achter bij de conducteur instappen en voorin uitstappen.
Ondanks het feit dat deze eerste serie gelede tram geen ideale rijeigenschappen
had, was men ervan overtuigd dat de toekomst aan de gelede tram was. Met de
komst van de Schindlers verdween het laatste tweeassige materieel en in 1964
begon de levering van vierentwintig enkel gelede en zesendertig dubbelgelede
trams, geleverd door DUEWAG. Hiernlee kwam het einde van de oude vierassers in
zicht. Vanaf 1968 verdwenen deze wagens, die jarenlang het tramgezicht van
Rotterdam hadden bepaald, uit de dienst.
In veel gevallen had de
sloper het laatste woord, in andere gevallen werden de wagens als dienst
materieel gebruikt. En zelfs nu rijdt zo'n vierasser uit 1931 nog wel eens
incidenteel een dienstje, wanneer het modernere materieel het laat afweten. In
1968 werd nogmaals een serie van vijfendertig enkelgelede trams besteld.
Inmiddels was men uit economische overwegingen overgegaan tot het afschaffen van
de conducteur. De bestuurder moest zelf kaartjes gaan verkopen en later
strippenkaarten afstempelen. In de trams kwamen tempelautomaten en de slimme
jongens reden heerlijk gratis. Kreeg je controle, dan gaf je een valse naam op
en "klaar was Kees". En omdat er toch geen controle was, kon je je met je
spuitbus of viltstift uitleven.
In de jaren tachtig
ontstonden materieelproblemen. Zelfs het nieuwste materieel was alweer zo' n vijftien jaar oud en
er was behoefte aan nieuwe trams. In eigen beheer werd een zesassig enkelgeleed
tramstel ontworpen, de ZGT (Zwevend Gelede Tram), dat door DUEWAG werd gebouwd
op de onderstellen van oude gelede trams. Helaas bleek alle verandering nog geen
verbetering al tijdens de proefperiode trad een groot aantal storingen op, in de
elektronische apparatuur. Mensen met een pacemaker konden beter niet in zo'n
tram plaats nemen, want een pacemaker kon onder invloed van de elektronica
spontaan op hol slaan... Na het aanbrengen van voorzieningen, waaronder een
nieuw type stroomafnemer die wat steviger tegen de rijdraad bleef aangedrukt,
kon de narigheid tenslotte worden verholpen. Verder lag het in de bedoeling
vijfennegentig oude tramstellen te laten verbouwen, waarbij het uiterlijk gelijk
zou worden aan de ZGT trams. Uiteindelijk zijn het maar vijftig stuks geworden,
mede omdat de rijeigenschappen aanvankelijk niet geweldig waren. De komst van
deze nieuwe trams betekende het einde voor de Schindlers. Een opknapbeurt voor
trams zou te duur zijn uitgevallen, omdat in gelede wagens asbest was verwerkt.
Een deel van de laatst bestelde serie enkelgelede trams werd voorzien van een
middenbak.
Een proef met een
lagevloertram uit Grenoble in 1988 leidde helaas niet tot bestelling Van dit
moderne materieel.
Momenteel wordt het
materieel in de nieuwe kleurstellingen groen wit, overgeschilderd. Het oudste
materieel wordt bovendien gerenoveerd.

DE METRO
Op 9 februari 1969 werd de
metroverbinding tussen centraal station en Zuidplein officieel geopend. Tevens
werd op die datum het startsein gegeven voor een doortrekking naar de Slinge,
welk station in november 1970 in gebruik werd genomen. Daarop volgde de bouw van
de lijn naar Hoogvliet. In 1974 konden de Hoogvlieters opgelucht hun bussen 62
en 63 vaarwel zeggen en werd de reistijd naar Rotterdam met zo’n 45 minuten
bekort. Maar de bouw van de metrolijn ging verder. Onder de Oude Maas werd
tussen Hoogvliet en Spijkenisse een metrotunnel gebouwd en op 25 april 1985 werd
de lijn doorgetrokken naar Spijkeniise (De Akkers) Hiermee was de noord-zuidlijn
(voorlopig?) voltooid. Rotterdam had echter nog
steeds nieuwe plannen. Een oost-west verbinding Zou verkeersoverlast in de
binnenstad kunnen beperken. Op 10 mei 1982 werd een ondergronds tracé tussen de
Coolhaven en Capelse Brug in gebruik genomen. In april 1986 volgde verlenging
naar het Marconiplein. Helaas had men de beslissing genomen de metro tussen
Capelse Brug en Ommoord als sneltram te laten rijden. Ook zou deze sneltram
gelijkvloerse kruisingen krijgen met het overige wegverkeer. Dit betekende dat
men materieel moest bestellen dat de stroom zowel door een stroomrail als door
een rijdraad kon betrekken.
In mei 1993 werd de lijn
doorgetrokken naar Ommoord en in april werd het traject Graskruid -De Tochten in gebruik
genomen. Tenslotte opende op 26 mei 1994 Mr. Pieter van Vollenhoven een nieuwe
metrolijn tussen Capelse Brug en Capelle. Momenteel wordt gewerkt aan een
metroverbinding tussen Marconiplein en Hoogvliet.

NAAR DE TOEKOMST
Ogenschijnlijk gaat het
goed met het openbaar vervoer in Rotterdam. De RET exploiteert een
Tram-, bus- en metronet met
een totale lengte van meer dan 600 kilometer. Toch is er meer nodig om de groei
van het autoverkeer te beperken. Het huidige tramsysteem scoort bij de gebruiker
laag. De gemiddelde snelheid van begin- tot eindhalte bedraagt momenteel 18
kilometer per uur, wat terecht als te traag wordt ervaren. In 1991 introduceerde
de RET een ontwerp voor een nieuw tramsysteem onder de naam TramPlus. In dit
systeem denkt men aan veertien tramlijnen die op vrije verbindingen reizigers
over een gemiddelde afstand van drie tot zeven kilometer zullen vervoeren met
een gemiddelde snelheid van 25 kilometer per uur. In vergelijking met het
huidige net zullen veel meer mensen binnen de invloedsfeer van het openbaar vervoernetwerk
komen. De aanzet van TamPlus wordt zichtbaar met de opening van de Erasmusbrug.
Volgens de plannen zullen uiteindelijk drie tramlijnen naar Rotterdam-Zuid in
dienst worden gesteld, zodat dan na bijna 28 jaar het tramnet op de linker en
rechter Maasoever weer verbonden is. Het tramnet zal ook moeten dienen als
aanvulling op het metro- en spoorwegnet. Een voorbeeld is station Blaak, waar
tram, metro en trein op een bijna ideale manier zijn geïntegreerd. Overkapte
perrons en hoge frequenties zullen de automobilist straks voor het openbaar
vervoer moeten winnen. Ook projecten als Rail 21, 3M/Randstad Rail en
hoogwaardige busvoorzieningen zullen ervoor moeten zorgen dat de Randstad niet
dichtslibt. Wat er van komt? Helaas kan Rotterdam de kosten van dergelijke
projecten niet meer opbrengen. De centrale overheid heeft een grote vinger in de
pap en het resultaat van al deze plannen zal uiteindelijk toch door Den Haag
worden bepaald.
Bron: Ons Rotterdam Populair; Historisch Tijdschrift voor
Groot Rotterdam Afl. 2/3-1996
3. DE RET IN OORLOGSTIJD
|