De wederopbouw van de Haagsche Tramweg Maatschappij

Afdeling Autobusdienst-HTM

Het groen en bruin van de bussen gaat plaats maken voor het geel en groen zoals de bussen vele jaren de Hofstad zouden domineren....

De geschiedenis van de Autobusdienst HTM kent vele facetten. Zo zijn we gekomen met de beschrijving van de geschiedenis van de Autobusdienst, dat gepubliceerd werd in de vorm van een een internet versie " Van wilde bussen naar een reguliere autobusdienst (HTM) ". gevolgd door een internet versie van het boek "De laatste bus op Dolle Dinsdag", de geschiedenis van de Autobusdienst HTM in de Tweede Wereldoorlog, met een bijlage "Noodbussen". Dit laatste onderwerp behandeld slechts zijdelings de activiteiten van HTM maar belicht op een heldere wijze hoe men na de afloop van de oorlog moest roeien met de riemen die men voorhanden had.

Om toch terug te keren naar HTM gaan wij over tot de beschrijving van de naoorlogse periode, een tijdvak waarin inventiviteit hoogtij vierde. In dit geval willen wij Nick Roestenburg bedanken voor de medewerking die hij verleende om dit verhaal zo compleet mogelijk te maken.

De wederopbouw begon met de te verwachten enorme uitgaven voor het verrichten van het uitgesteld onderhoud aan het nog beschikbare rollend materieel en voor de herstelling van de geleden schade aan talloze eigendommen van de vervoersmaatschappij en voor het eveneens weer opeen redelijk peil brengen van de tram- en autobus wagenparken.

De materiaalprijzen en lonen waren, ten opzichte van vóór de oorlog, reeds in belangrijke mate gestegen en een verdere stijging was te verwachten.

Met het oog op het bovenstaande werd reeds in november 1945 een tariefsverhoging van gemiddeld 25% bij de betrokken autoriteiten aanhangig gemaakt. Het zou echter 4 jaar duren, alvorens hierop gunstig zou worden beslist!

Een vredig blik op de garage aan de Viaductweg. Het Militaire Gezag heeft de zaak vrijgegeven. De vooroorlogse- en naoorlogse bussen rijden weer ongestoord in- en uit. De Autobusdienst HTM heeft weer voet aan grond voor het vervoer van passagiers door de Hofstad.

In de loop van het jaar 1946 werd een groot gedeelte van het door de bezetters gevorderde trammaterieel, hoewel in ernstig beschadigde toestand, terug gevonden. Tevens werd uit alle delen van het land en ook in buurland Duitsland een aantal autobussen teruggevoerd. Onmiddellijk werden aan wagon- en carrosserie fabrieken opdrachten verstrekt voor de herstellingen en aanpassingen van dit tram- en busmaterieel. Alles werd in het werk gesteld om, ter voorziening in de grote vervoersbehoefte, zo spoedig mogelijk meer tramwagens en autobussen voor de dienst beschikbaar te krijgen.

Verder werden voorbereidingen getroffen om tot een geleidelijk herstel van het door de zware overbelasting en onvoldoende onderhoud ernstig beschadigde overige materieel te geraken.

Tevens werden 14 autobussen van het merk Hotchkiss/Chausson (serie 41 t/m 54) van Frans fabrikaat aangeschaft. Door deze maatregel was het bijna een jaar ná de bevrijding van Nederland, mogelijk geworden op 1 februari 1946 de autobusexploitatie op beperkte schaal te hervatten en zowel deze evenals de tramexploitatie, ondanks beperking van stroom gebruik, gebrek aan materieel en schaarste aan onderhoud materialen, geleidelijk uit te breiden, zodat aan het einde van dat jaar in exploitatie waren: 12 stadstramlijnen, de intercommunale lijnen en slechts 5 buslijnen.

De ontvangsten stegen regelmatig, totdat deze in de seizoen maand augustus een tot dan ongekende hoogte bereikten. Niettemin liep de gemiddelde bezetting terug als gevolg van het streven om het publiek beter te bedienen door geleidelijke uitbreiding van het aantal aangeboden zitplaatsen.

Teneinde het tram- en autobuswagenpark op een vooroorlogse vervoerscapaciteit te brengen werd een opdracht geplaatst voor de levering van 16 vierassige motortramwagens en werd een aanvang gemaakt met de uitvoering van een reeds in 1943 gegeven opdracht voor de levering van 50 autobussen.

De Franse Chausson vormde een zeer welkome aanvulling op het krappe bussenbestand. Deze bussen waren hun tijd ver vooruit, hoewel ze niet erg in trek waren vanwege het hoge brandstof gebruik. Enkele bedrijven verwisselde de benzine- voor een dieselmotor.

Van de slechts 47, ná de bevrijding weder ter beschikking gekomen ernstig beschadigde autobussen, waren in de loop van 1946, 42 bussen geheel hersteld, zodat met inbegrip van de 14 aangeschafte Franse autobussen, aan het einde van dat jaar weer 56 bussen in bedrijf waren zijnde ongeveer de helft van het vooroorlogse wagenpark.

Nadat de autobusgarage aan de Viaductweg door de Militaire instanties eindelijk was vrijgegeven werden de nodige herstelwerkzaamheden daaraan uitgevoerd en kon deze stalling weer in gebruik genomen worden. Tevens werd de bomschade aan de remise Scheveningen gedeeltelijk hersteld, zodat het materieel van enkele lijnen daarin kon worden ondergebracht.

Rond de jaren 1950 had de Autobusdienst HTM een flinke verscheidenheid bussen van verschillende modellen. Deze foto laat dit duidelijk zien. Nieuwe instroom van bussen is duidelijk waarneembaar.

Streng winterweer gedurende de eerste maanden van 1947, constant zomerweer in de maand augustus, de snelle wijze, waarop de beschadigingen aan het rollend materieel en andere eigendommen hersteld werden, de aflevering van meer dan de helft van de in bestelling zijnde autobussen, waren de factoren, die invloed hadden op een gunstige ontwikkeling van het vervoer, waardoor de totale ontvangsten, niettegenstaande een teruggang in de maand juni en een tijdelijke inzinking in de herfstmaanden, zéér bevredigend waren.

De gemiddelde bezetting, zowel van de stadstram- en buslijnen als van de intercommunale lijnen was wederom gedaald, als gevolg van de betere voorziening in de vervoersbehoefte, welke blijkt uit het grotere aantal wagenkilometers, dat bij de stadstramlijnen 34%, de buslijnen 115% en de intercommunale lijnen 2,5% meer bedroeg dan over het voorgaande jaar.

Meer Kromhout bussen

In de eerste helft van het jaar 1948 werd het restant van de bestelde autobussen afgeleverd (dit werd de serie Kromhout/Beynes, 151 t/m 175 en de Krom-hout/Werkspoor met 5-cylinder dieselmotor serie 176 t/m 200), waardoor het bedrijf de beschikking had over een wagenpark van 111 autobussen, bijna gelijk met de vooroorlogse capaciteit.

Toch moesten reeds weer maatregelen getroffen worden voor de vervanging van de 47 gerepareerde bussen, welke reeds van vóór de oorlog dateerden en van de ná de bevrijding aangekochte 14 benzinebussen, welke weliswaar uitstekende diensten hadden bewezen, doordat het mogelijk was geweest de autobusexploitatie er mede te hervatten, maar welke in feite met hun te geringe vervoerscapaciteit voor stadsexploitatie minder geschikt waren. Tevens moest worden besloten tot een uitbreiding van werkplaatsen en magazijnruimten aan de autobusgarage, met de uitvoering waarvan een aanvang werd gemaakt.

De 152, gloednieuw van de fabriek mag zijn openingsrit uitvoeren vanaf de Maartensdijklaan in Den Haag.

Van de in opdracht gegeven 16 moderne motorwagens konden dit jaar 14 stuks in bedrijf worden gesteld.

Door de uitbreiding van de vervoerscapaciteit was het mogelijk het vervoersgebied in de gemeente s’-Gravenhage en omstreken weer op redelijke wijze te bedienen en aan het einde van dat jaar volledig te exploiteren, de intercommunale lijnen, 15 stadstramlijnen, 9 autobuslijnen alsmede een verbinding met Kijkduin en het vliegveld Ypenburg, waarvoor deze laatste een ex-leger voertuig van met merk Chevrolet werd aangeschaft en kreeg het parknummer 142 toegewezen. Op de beide laatstgenoemde verbindingen werd éénmansbediening ingevoerd.

Deze ex-leger Staff-car werd door HTM overgenomen om het lijntje naar Ypenburg te gaan onderhouden. Lijn "Y" ging op 10 januari 1949 van start. We zien de "142" aan de Geestbrugweg voor een rit naar het vliegveld Ypenburg. Heden ten dage is zo'n exemplaar nog te bewonderen in het Haags Openbaarvervoer Museum gehuisvest in de voormalige HTM-remise aan de Frans Halsstraat in Den Haag.

Op 7 februari 1948 vond de onthulling plaats van een bronzen gedenkplaat in de hal van het hoofdkantoor, ter nagedachtenis van de leden van het personeel, die in de jaren 1940 - 1945, tengevolge van oorlogshandelingen of oorlogsgeweld het leven lieten...

In 1949 zag de zaak er nog beter uit. De opdracht voor de levering van 15 autobuschassis werd met 27 chassis uitgebreid en tevens werd een opdracht geplaatst voor de levering van 42 carrosserieën.

In de tweede helft van dat jaar werden bovendien 20 autobussen met chassis van Engels fabrikaat aangeschaft die de serie AEC/Verheul 76 t/m 95 gingen vormen.

In verband met de vermindering van de vervoersbehoefte moest worden overgegaan tot uitbreiding van de éénmansbediening, waartoe deze op een 4-tal autobuslijnen werd ingevoerd.

Tussen december 1949 en maar 1950 reed deze AEC-proefbus, de "builenbus" op lijn "G" (Eiberplein-Spui v.v.). Weliswaar had de chauffeur een prachtige kijk op de weg, maar de reizigers daarentegen kregen in deze bus, dank zij de boven de zitbanken gemonteerde bagagerekken, gratis builen en blauwe plekken toe! Mede door wat technische gebreken werd dit type niet bij HTM ingevoerd.

Dit is wel een unieke foto zoals we die in Engeland wisten te vinden. Hier zien we het tweede proef exemplaar van een "builenbus". Echter, hoewel de wagen al met het HTM-logo is uitgevoerd, is deze nimmer naar Nederland verscheept. Vermoedelijk is rond de tijd dat de foto is gemaakt het bericht gekomen dat HTM verder afziet voor de bestelling van dit type bus.

Jan Emmelkamp schreef: Aan het eind van 1949 gebruikte de HTM een AEC lagevloerbus met als nummer 96 (Tijdelijk nummer). Dit was een prachtige Nederlands prototype. gemaakt op AEC Regal Mark IV carrosserie met het Park Royal Bodywerk (36 zitplaatsen). Het chassisnummer was U_134976. Deze bus was op voor een paar maanden op proef. Hij is ook getest in Amsterdam en Maastricht. Na deze test is hij terug gegaan naar Groot-Brittannië. Uiteindelijk zijn deze twee proefbussen naar Stavanger vertrokken waar ze vele jaren in de lijndienst waren terug te vinden.

In Engeland maakte men deze foto van het interieur van de AEC PVf1 bus die voor HTM bestemd was. Deze opname mag beslist uniek genoemd worden.

De 42 bestelde autobussen werden in 1950 afgeleverd en in dienst gesteld en vormden daarmee de serie Kromhout/Verheul 34 t/m 75.

In verband met de vervoersbehoefte en de te verwachten toename daarvan, in het bijzonder naar en van de in uitvoering zijn de nieuwbouwwijken te s’-Gravenhage en de te verwachten opheffing van de tramlijnen 1, 2, 5 en 15 en de N.Z.H.-lijn Voorburg - Scheveningen, werd wederom overgegaan tot de bestelling van 35 nieuwe autobussen; de chassis zullen worden uitgevoerd met onder de vloer aangebrachte motoren. Dit werd de serie Kromhout/Verheul 1 t/m 20 en 201 t/m 225. Dit waren 6-cylinder motoren van 120 pk. met 31 zitplaatsen en 51 staanplaatsen.

De wagens van de serie 201 t/m 225 (1952) waren buiten de versnellingsbak nagenoeg gelijk aan de bussen van de serie 1 t/m 20.

Op het eind van 1952 en in het begin van 1953 kwamen als derde verrassing bij HTM de AEC/Verheul bussen, met 125 pk. motoren die de serie 96 t/m 110 vormde. (In 1961 werden deze wagens verkocht naar Benghazi).

Dit type bus, een AEC/Verheul in de serie 76 t/m 95 werd "kikker" genoemd. Deze wagens verschenen in 1949 op het HTM toneel. Deze fraaie bussen werden geheel in de groene kleur gespoten. Als voornaamste lijn kreeg de "R" op 17 september 1951 éénmansbediening. We zien hier de 84 aan de Melis Stokelaan, een weg die toen nog een vrij landelijk en rustig Haags uithoekje!

Deze "Crossley"-achtige bussen waren AEC/Verheul wagens uit de serie 34 t/m 75 die in 1950 bij HTM in dienst werden gesteld. Door de bouw van nieuwbouwwijken had HTM dringend bussen nodig en na de aflevering van bovengenoemde serie werd direct een nieuwe order geplaatst voor de bouw van bussen.

GARAGE TELEXSTRAAT

Bus nummer 100 (!) werd uitverkoren om op 30 juli 1953 het nieuwe garagecomplex aan de Telexstraat te openen.

Eind 1952 bezat HTM 173 dienstdoende bussen die op 14 lijnen te zien waren.

Zo’n 100 bussen konden in de nieuwe garage worden gestald doch in 1954 bleek deze garage te klein te zijn en werd begonnen met de bouw van een nieuwe hal waardoor het onderkomen tot 162 bussen toenam.

In de jaren tussen 1953 t/m 1957 worden door HTM een groot aantal autobussen aangeschaft.

Uitgesmeerd over de jaren 1955 - 1957 kwamen er 160 bussen te weten 80 Kromhout/Verheul in de serie 226 t/m 305 en 80 AEC/Verheul in de serie 501 t/m 580.

In 1956 plaatste HTM een nieuwe opdracht voor de levering van bussen van het type Kromhout en AEC, die eveneens een Verheul carrosserie zouden krijgen.

Het betekende, dat op de laatste dag van het jaar, HTM 239 bussen op de sterkte had.

Met de introductie van deze nieuwe bussen werd tevens een opvallend nieuwe kleurenschema ingevoerd; crème met groene vensterranden en een groen dak. Deze combinatie bleek ideaal te zijn, want de oudere serie bussen 76 t/m 95, 34 t/m 75, 1 t/m 20, 201 t/m 223 en de 96 t/m 110, werden eveneens in dit kleurenschema gespoten, zodat het wagenpark een eenheid ging vormen.

De serie 216 t/m 225 werd verkocht aan de ESA te Marum in Groningen. Daar werden de ondervloermotoren vervangen door DAF-frontmotoren waardoor het uiterlijk veranderde. Ook de uitstapdeuren werden verwijderd en de harmonica instap werd vervangen door een openslaande deur. Deze wagens hebben in Groningen nog jaren lang dienst gedaan.

Het komt maar weinig voor dat we een kleurenfoto vinden van een ex-HTM bus die later bij de ESA in dienst kwam. We zien hier zo een omgebouwde HTM-er, met frontmotor en al. De foto werd gemaakt voor het station In Groningen. Hoewel de kleuren in de loop der jaren wat achteruit zijn gegaan geeft het toch een goed beeld van de wagen.

Een fraaie foto van drie verschillende typen bussen die in de nieuwe kleuren zijn geschilderd. Men heeft deze metamorfose uitgevoerd om een eenheid te creëren van de bussen.

Het jaar daarop in 1957 ontving het autobusbedrijf wederom een nieuwe serie bussen van het merk Kromhout/Verheul. Deze serie (306 t/m 330) had een 130 pk. motor en een volautomatische versnellingsbak en bood aan 95 passagiers plaats.

Door een groot gebrek aan chauffeurs konden slechts de bussen met de nummers 306 t/m 309 en de 311 t/m 314 hun diensten op straat aanvangen.

Pas in 1959 konden de nummer 310 en 315 hun operationele werk beginnen, doch de nummers 316 t/m 330 kwamen niet aan de slag en deze fabrieksnieuwe wagens bleven bijna 5 jaar werkeloos in de garage staan voordat ze aan de RET in Rotterdam konden worden verkocht. Deze ontwikkeling laat wel zien dat het personeelsbestand in die jaren bij HTM er erg belabberd voorstond!

Het jaar 1958 werd afgesloten met het recordcijfer van 337 autobussen, waarvan 197 Kromhouts- en 140 AEC-diesels.

Om bij dit jaar te blijven; bij HTM voltrok een tragedie. De nieuwe autobusserie 581 t/m 605 die door AEC/Verheul waren geleverd - en die nagenoeg identiek waren aan de eerder genoemde serie 306 t/m 330 van het jaar ervoor - konden de bussen 581 t/m 585 slechts in de maanden december 1959 en januari 1960 dienst doen.

Na deze korte activiteiten moesten deze bussen terug naar de garage waar ze weer op blokken werden geplaatst.

Deze bussen kwamen dan ook niet meer aan de slag, maar vertrokken in augustus van het jaar 1961, gloednieuw en (bijna) ongebruikt door bemiddeling van Verheul in Waddinxveen naar Argentinië.

En....daar staan ze dan, de toekomstige Argentijnen. Vier van de 25 bussen die onder de serienummers 581 t/m 605 bij HTM kwamen. Slechts een vijftal heeft enkele weken in 1959 en 1960 kunnen rijden. De rest bleef in de garage staan daar er geen chauffeurs voor beschikbaar waren. Teneinde raad werden de 25 in augustus 1961 als nieuw verkocht naar Buenos Aires in Argentinië.

Van Jac van Nieuwenhuizen kwam deze foto beschikbaar van een ex-HTM AEC bus die destijds naar Argentinië waren verkocht. Nu is deze bus teruggevonden in Uruguay, is eigendom van tram en busfanaten in Uruguay. Het bedrijf C.O.E.T.C. heeft deze bus aan hen geschonken en let vooral op het Verheul embleem dat nog steeds op het front prijkt. Met deze ontdekking is het ons duidelijk geworden dat niet alleen de 327 van het Haags Bus Museum de enige overlevende is, maar dat in Zuid-Amerika ook een museumbus aanwezig is uit het bestand van HTM

 

Ton Dieben maakte deze foto in Argentinië. Het is een van de ex-AEC's van HTM die destijds naar Zuid-Amerika vertrokken. Daar werden deze bussen omgedoopt van AEC/Verheul in ACLO/Verheul. In Buenos Aires hebben deze serie bussen op de lijnen 5, 43, 89 en 99 gereden. Op de foto een van deze bussen ergens in Bragado, op zo'n 350 kilometer van Buenos Aires gelegen.

Uniek mag dit wel genoemd worden, slechts een enkele keer hebben de nieuwe bussen, die uiteindelijk voor Zuid-Amerika waren voorbestemd, in de Hofstad een dienst gereden. We zien hier de 581, die van de blokken was afgehaald, in orde werd gemaakt om er een dienst mee te rijden om daarna weer opgelegd te worden. Uiteindelijk werden deze bussen in een zilver kleur gespoten en door gebrek aan personeel naar Zuid-Amerika verkocht.

PLAN LEHNER

In 1959 werd het aantal autobussen van 337 naar 312 gereduceerd, waarbij in dat zelfde jaar 21 buslijnen werden geëxploiteerd, terwijl de lijnen 15, 19 en 20 een verlenging kregen.

Na 1959 begon een daling zich langzaam maar zeker in te zetten waardoor het busaantal in 1962 nog slechts 205 beliep, die voor de dagelijkse dienst beschikbaar waren.

De problemen bleven zich opstapelen van onder andere de ingevoerde 5-daagse werkweek, ontvolking van de binnenstad, de minder goede ligging van de spoorwegstations enz.

Jan Hamelmeer maakte deze foto van de HTM AEC-585 kort voor zijn vertrek naar Zuid-Amerika. In Zuid-Amerika zijn busfoto-groepen naarstig bezig te zoeken naar meer foto's en informatie van onze HTM bussen, en wellicht zullen we in een later stadium meer over dit onderwerp in dit boek naar buiten komen.

Om uit deze problemen te geraken werd door HTM een buitenstaander aangetrokken, Prof. Dr. Ir. K. Leibrand, verkeersdeskundige, die echter na korte tijd zijn taak moest overdragen aan Dr. Ing. F. Lehner.

Het uiteindelijke eindrapport van zijn hand verscheen pas in 1964 en het jaar daarop kon men de eerste fase van zijn plan tot reorganisatie van het lijnennet ten uitvoer brengen.

In die jaren werd al gestreefd naar eenheidsmaterieel en in samenwerking met de vervoersbedrijven in Rotterdam en Amsterdam werd door HTM gestreefd naar een type standaardautobus. Dit zou een aanzienlijke korting betekenen op de aanschafprijs.

 

Op deze fraaie foto is te zien hoe de donker rode DAF-standaardbussen langzaam maar zeker de geel-groene wagens uit het straatbeeld gaan verdringen.

In 1964 bezat HTM 205 bussen; deze bestonden uit 35 Kromhout TB50 (1952), 80 Kromhout TBZ100 (1956), 80 AEC 4A (1957) en 10 Kromhout TBZ100 (1958).

Duidelijk was dat het wagenpark dringend aan vernieuwing toe was zodat de essentie van de standaardisering op technisch- en economisch gebied dringend gewenst was.

Deze noodzaak was tevens de start van een programma dat voorzag in de aanschaf van 200 standaardbussen die over de jaren 1965 t/m 1973 zouden moeten worden geleverd.

Hierover zullen we in een later stadium in een nieuw boekdeel uitgebreid op terugkomen.

Volgende Pagina

 

(c) OV in Boskoop - Alle rechten voorbehouden-Overname in gedrukte of digitale vorm zonder toestemming niet toegestaan