De materiaalprijzen en lonen waren, ten opzichte van
vóór de oorlog, reeds in belangrijke mate gestegen en een verdere stijging was
te verwachten.
Met het oog op het bovenstaande werd reeds in november
1945 een tariefsverhoging van gemiddeld 25% bij de betrokken autoriteiten
aanhangig gemaakt. Het zou echter 4 jaar duren, alvorens hierop gunstig zou
worden beslist!
|
 |
Een vredig blik op de garage aan de Viaductweg. Het
Militaire Gezag heeft de zaak vrijgegeven. De vooroorlogse- en
naoorlogse bussen rijden weer ongestoord in- en uit. De Autobusdienst
HTM heeft weer voet aan grond voor het vervoer van passagiers door de
Hofstad.
|
In de loop van het jaar 1946 werd een groot gedeelte van
het door de bezetters gevorderde trammaterieel, hoewel in ernstig beschadigde
toestand, terug gevonden. Tevens werd uit alle delen van het land en ook in
buurland Duitsland een aantal autobussen teruggevoerd. Onmiddellijk werden aan
wagon- en carrosserie fabrieken opdrachten verstrekt voor de herstellingen en
aanpassingen van dit tram- en busmaterieel. Alles werd in het werk gesteld om,
ter voorziening in de grote vervoersbehoefte, zo spoedig mogelijk meer
tramwagens en autobussen voor de dienst beschikbaar te krijgen.
Verder werden voorbereidingen getroffen om tot een
geleidelijk herstel van het door de zware overbelasting en onvoldoende onderhoud
ernstig beschadigde overige materieel te geraken.
Tevens werden 14 autobussen van het merk Hotchkiss/Chausson
(serie 41 t/m 54) van Frans fabrikaat aangeschaft. Door deze maatregel was het
bijna een jaar ná de bevrijding van Nederland, mogelijk geworden op 1 februari
1946 de autobusexploitatie op beperkte schaal te hervatten en zowel deze evenals
de tramexploitatie, ondanks beperking van stroom gebruik, gebrek aan materieel
en schaarste aan onderhoud materialen, geleidelijk uit te breiden, zodat aan het
einde van dat jaar in exploitatie waren: 12 stadstramlijnen, de intercommunale
lijnen en slechts 5 buslijnen.
De ontvangsten stegen regelmatig, totdat deze in de
seizoen maand augustus een tot dan ongekende hoogte bereikten. Niettemin liep de
gemiddelde bezetting terug als gevolg van het streven om het publiek beter te
bedienen door geleidelijke uitbreiding van het aantal aangeboden zitplaatsen.
Teneinde het tram- en autobuswagenpark op een
vooroorlogse vervoerscapaciteit te brengen werd een opdracht geplaatst voor de
levering van 16 vierassige motortramwagens en werd een aanvang gemaakt met de
uitvoering van een reeds in 1943 gegeven opdracht voor de levering van 50
autobussen.
 |
De Franse Chausson vormde een zeer welkome aanvulling
op het krappe bussenbestand. Deze bussen waren hun tijd ver vooruit,
hoewel ze niet erg in trek waren vanwege het hoge brandstof gebruik.
Enkele bedrijven verwisselde de benzine- voor een dieselmotor.
|
Van de slechts 47, ná de bevrijding weder ter
beschikking gekomen ernstig beschadigde autobussen, waren in de loop van 1946,
42 bussen geheel hersteld, zodat met inbegrip van de 14 aangeschafte Franse
autobussen, aan het einde van dat jaar weer 56 bussen in bedrijf waren zijnde
ongeveer de helft van het vooroorlogse wagenpark.
Nadat de autobusgarage aan de Viaductweg door de
Militaire instanties eindelijk was vrijgegeven werden de nodige
herstelwerkzaamheden daaraan uitgevoerd en kon deze stalling weer in gebruik
genomen worden. Tevens werd de bomschade aan de remise Scheveningen gedeeltelijk
hersteld, zodat het materieel van enkele lijnen daarin kon worden ondergebracht.
 |
Rond de jaren 1950 had de Autobusdienst HTM een flinke
verscheidenheid bussen van verschillende modellen. Deze foto laat dit
duidelijk zien. Nieuwe instroom van bussen is duidelijk waarneembaar.
|
Streng winterweer gedurende de eerste maanden van 1947,
constant zomerweer in de maand augustus, de snelle wijze, waarop de
beschadigingen aan het rollend materieel en andere eigendommen hersteld werden,
de aflevering van meer dan de helft van de in bestelling zijnde autobussen,
waren de factoren, die invloed hadden op een gunstige ontwikkeling van het
vervoer, waardoor de totale ontvangsten, niettegenstaande een teruggang in de
maand juni en een tijdelijke inzinking in de herfstmaanden, zéér bevredigend
waren.
De gemiddelde bezetting, zowel van de stadstram- en
buslijnen als van de intercommunale lijnen was wederom gedaald, als gevolg van
de betere voorziening in de vervoersbehoefte, welke blijkt uit het grotere
aantal wagenkilometers, dat bij de stadstramlijnen 34%, de buslijnen 115% en de
intercommunale lijnen 2,5% meer bedroeg dan over het voorgaande jaar.
Meer Kromhout bussen
In de eerste helft van het jaar 1948 werd het restant
van de bestelde autobussen afgeleverd (dit werd de serie Kromhout/Beynes, 151
t/m 175 en de Krom-hout/Werkspoor met 5-cylinder dieselmotor serie 176 t/m 200),
waardoor het bedrijf de beschikking had over een wagenpark van 111 autobussen,
bijna gelijk met de vooroorlogse capaciteit.
Toch moesten reeds weer maatregelen getroffen worden
voor de vervanging van de 47 gerepareerde bussen, welke reeds van vóór de oorlog
dateerden en van de ná de bevrijding aangekochte 14 benzinebussen, welke
weliswaar uitstekende diensten hadden bewezen, doordat het mogelijk was geweest
de autobusexploitatie er mede te hervatten, maar welke in feite met hun te
geringe vervoerscapaciteit voor stadsexploitatie minder geschikt waren. Tevens
moest worden besloten tot een uitbreiding van werkplaatsen en magazijnruimten
aan de autobusgarage, met de uitvoering waarvan een aanvang werd gemaakt.
 |
|
De 152, gloednieuw van de fabriek mag zijn openingsrit
uitvoeren vanaf de Maartensdijklaan in Den Haag. |
Van de in opdracht gegeven 16 moderne motorwagens konden
dit jaar 14 stuks in bedrijf worden gesteld.
Door de uitbreiding van de vervoerscapaciteit was het
mogelijk het vervoersgebied in de gemeente s’-Gravenhage en omstreken weer op
redelijke wijze te bedienen en aan het einde van dat jaar volledig te
exploiteren, de intercommunale lijnen, 15 stadstramlijnen, 9 autobuslijnen
alsmede een verbinding met Kijkduin en het vliegveld Ypenburg, waarvoor deze
laatste een ex-leger voertuig van met merk Chevrolet werd aangeschaft en kreeg
het parknummer 142 toegewezen. Op de beide laatstgenoemde verbindingen werd
éénmansbediening ingevoerd.
 |
Deze ex-leger Staff-car werd door HTM overgenomen om
het lijntje naar Ypenburg te gaan onderhouden. Lijn "Y" ging op 10
januari 1949 van start. We zien de "142" aan de Geestbrugweg voor een
rit naar het vliegveld Ypenburg. Heden ten dage is zo'n exemplaar nog te
bewonderen in het Haags Openbaarvervoer Museum gehuisvest in de
voormalige HTM-remise aan de Frans Halsstraat in Den Haag.
|
Op 7 februari 1948 vond de onthulling plaats van een
bronzen gedenkplaat in de hal van het hoofdkantoor, ter nagedachtenis van de
leden van het personeel, die in de jaren 1940 - 1945, tengevolge van
oorlogshandelingen of oorlogsgeweld het leven lieten...
In 1949 zag de zaak er nog beter uit. De opdracht voor
de levering van 15 autobuschassis werd met 27 chassis uitgebreid en tevens werd
een opdracht geplaatst voor de levering van 42 carrosserieën.
In de tweede helft van dat jaar werden bovendien 20
autobussen met chassis van Engels fabrikaat aangeschaft die de serie AEC/Verheul
76 t/m 95 gingen vormen.
In verband met de vermindering van de
vervoersbehoefte moest worden overgegaan tot uitbreiding van de
éénmansbediening, waartoe deze op een 4-tal autobuslijnen werd ingevoerd.
 |
|
Tussen december 1949 en
maar 1950 reed deze AEC-proefbus, de "builenbus" op lijn "G" (Eiberplein-Spui
v.v.). Weliswaar had de chauffeur een prachtige kijk op de weg, maar de
reizigers daarentegen kregen in deze bus, dank zij de boven de zitbanken
gemonteerde bagagerekken, gratis builen en blauwe plekken toe! Mede door
wat technische gebreken werd dit type niet bij HTM ingevoerd. |
|
 |
Dit is wel een unieke foto zoals we die in Engeland
wisten te vinden. Hier zien we het tweede proef exemplaar van een
"builenbus". Echter, hoewel de wagen al met het HTM-logo is uitgevoerd,
is deze nimmer naar Nederland verscheept. Vermoedelijk is rond de tijd
dat de foto is gemaakt het bericht gekomen dat HTM verder afziet voor de
bestelling van dit type bus.
|
Jan Emmelkamp schreef: Aan het eind van 1949 gebruikte
de HTM een AEC lagevloerbus met als nummer 96 (Tijdelijk nummer). Dit was een
prachtige Nederlands prototype. gemaakt op AEC Regal Mark IV carrosserie met
het Park Royal Bodywerk (36 zitplaatsen). Het chassisnummer was U_134976. Deze
bus was op voor een paar maanden op proef. Hij is ook getest in Amsterdam en
Maastricht. Na deze test is hij terug gegaan naar Groot-Brittannië.
Uiteindelijk zijn deze twee proefbussen naar Stavanger vertrokken waar ze vele
jaren in de lijndienst waren terug te vinden.
|
 |
|
In Engeland maakte men deze
foto van het interieur van de AEC PVf1 bus die voor HTM bestemd was. Deze
opname mag beslist uniek genoemd worden. |
De 42 bestelde autobussen werden in 1950 afgeleverd en
in dienst gesteld en vormden daarmee de serie Kromhout/Verheul 34 t/m 75.
In verband met de vervoersbehoefte en de te verwachten
toename daarvan, in het bijzonder naar en van de in uitvoering zijn de
nieuwbouwwijken te s’-Gravenhage en de te verwachten opheffing van de tramlijnen
1, 2, 5 en 15 en de N.Z.H.-lijn Voorburg - Scheveningen, werd wederom overgegaan
tot de bestelling van 35 nieuwe autobussen; de chassis zullen worden uitgevoerd
met onder de vloer aangebrachte motoren. Dit werd de serie Kromhout/Verheul 1
t/m 20 en 201 t/m 225. Dit waren 6-cylinder motoren van 120 pk. met 31
zitplaatsen en 51 staanplaatsen.
De wagens van de serie 201 t/m 225 (1952) waren buiten
de versnellingsbak nagenoeg gelijk aan de bussen van de serie 1 t/m 20.
Op het eind van 1952 en in het begin van 1953 kwamen als
derde verrassing bij HTM de AEC/Verheul bussen, met 125 pk. motoren die de serie
96 t/m 110 vormde. (In 1961 werden deze wagens verkocht naar Benghazi).
 |
Dit type bus, een AEC/Verheul in de serie 76 t/m 95
werd "kikker" genoemd. Deze wagens verschenen in 1949 op het HTM toneel.
Deze fraaie bussen werden geheel in de groene kleur gespoten. Als
voornaamste lijn kreeg de "R" op 17 september 1951 éénmansbediening. We
zien hier de 84 aan de Melis Stokelaan, een weg die toen nog een vrij
landelijk en rustig Haags uithoekje!
|
|
 |
|
Deze "Crossley"-achtige bussen waren AEC/Verheul wagens
uit de serie 34 t/m 75 die in 1950 bij HTM in dienst werden gesteld. Door
de bouw van nieuwbouwwijken had HTM dringend bussen nodig en na de
aflevering van bovengenoemde serie werd direct een nieuwe order geplaatst
voor de bouw van bussen. |
GARAGE TELEXSTRAAT
Bus nummer 100 (!) werd uitverkoren om op 30 juli 1953
het nieuwe garagecomplex aan de Telexstraat te openen.
Eind 1952 bezat HTM 173 dienstdoende bussen die op 14
lijnen te zien waren.
Zo’n 100 bussen konden in de nieuwe garage worden
gestald doch in 1954 bleek deze garage te klein te zijn en werd begonnen met de
bouw van een nieuwe hal waardoor het onderkomen tot 162 bussen toenam.
In de jaren tussen 1953 t/m 1957 worden door HTM een
groot aantal autobussen aangeschaft.
Uitgesmeerd over de jaren 1955 - 1957 kwamen er 160
bussen te weten 80 Kromhout/Verheul in de serie 226 t/m 305 en 80 AEC/Verheul in
de serie 501 t/m 580.
In 1956 plaatste HTM een nieuwe opdracht voor de
levering van bussen van het type Kromhout en AEC, die eveneens een Verheul
carrosserie zouden krijgen.
Het betekende, dat op de laatste dag van het jaar, HTM
239 bussen op de sterkte had.
Met de introductie van deze nieuwe bussen werd tevens
een opvallend nieuwe kleurenschema ingevoerd; crème met groene vensterranden en
een groen dak. Deze combinatie bleek ideaal te zijn, want de oudere serie bussen
76 t/m 95, 34 t/m 75, 1 t/m 20, 201 t/m 223 en de 96 t/m 110, werden eveneens in
dit kleurenschema gespoten, zodat het wagenpark een eenheid ging vormen.
|
 |
|
De serie 216 t/m 225 werd verkocht aan de ESA te Marum
in Groningen. Daar werden de ondervloermotoren vervangen door
DAF-frontmotoren waardoor het uiterlijk veranderde. Ook de uitstapdeuren
werden verwijderd en de harmonica instap werd vervangen door een
openslaande deur. Deze wagens hebben in Groningen nog jaren lang dienst
gedaan. |
|
 |
|
Het komt maar weinig voor dat we een kleurenfoto vinden van een ex-HTM bus
die later bij de ESA in dienst kwam. We zien hier zo een omgebouwde HTM-er,
met frontmotor en al. De foto werd gemaakt voor het station In Groningen.
Hoewel de kleuren in de loop der jaren wat achteruit zijn gegaan geeft het
toch een goed beeld van de wagen. |
 |
Een fraaie foto van drie verschillende typen bussen
die in de nieuwe kleuren zijn geschilderd. Men heeft deze metamorfose
uitgevoerd om een eenheid te creëren van de bussen.
|
Het jaar daarop in 1957 ontving het autobusbedrijf
wederom een nieuwe serie bussen van het merk Kromhout/Verheul. Deze serie (306
t/m 330) had een 130 pk. motor en een volautomatische versnellingsbak en bood
aan 95 passagiers plaats.
Door een groot gebrek aan chauffeurs konden slechts de
bussen met de nummers 306 t/m 309 en de 311 t/m 314 hun diensten op straat
aanvangen.
Pas in 1959 konden de nummer 310 en 315 hun operationele
werk beginnen, doch de nummers 316 t/m 330 kwamen niet aan de slag en deze
fabrieksnieuwe wagens bleven bijna 5 jaar werkeloos in de garage staan voordat
ze aan de RET in Rotterdam konden worden verkocht. Deze ontwikkeling laat wel
zien dat het personeelsbestand in die jaren bij HTM er erg belabberd voorstond!

Het jaar 1958 werd afgesloten met het recordcijfer van
337 autobussen, waarvan 197 Kromhouts- en 140 AEC-diesels.
Om bij dit jaar te blijven; bij HTM voltrok een
tragedie. De nieuwe autobusserie 581 t/m 605 die door AEC/Verheul waren geleverd
- en die nagenoeg identiek waren aan de eerder genoemde serie 306 t/m 330 van
het jaar ervoor - konden de bussen 581 t/m 585 slechts in de maanden december
1959 en januari 1960 dienst doen.
Na deze korte activiteiten moesten deze bussen terug
naar de garage waar ze weer op blokken werden geplaatst.
Deze bussen kwamen dan ook niet meer aan de slag, maar
vertrokken in augustus van het jaar 1961, gloednieuw en (bijna) ongebruikt door
bemiddeling van Verheul in Waddinxveen naar Argentinië.
|
 |
|
En....daar staan ze dan, de toekomstige Argentijnen.
Vier van de 25 bussen die onder de serienummers 581 t/m 605 bij HTM
kwamen. Slechts een vijftal heeft enkele weken in 1959 en 1960 kunnen
rijden. De rest bleef in de garage staan daar er geen chauffeurs voor
beschikbaar waren. Teneinde raad werden de 25 in augustus 1961 als nieuw
verkocht naar Buenos Aires in Argentinië. |
|
 |
|
Van Jac van Nieuwenhuizen kwam deze foto
beschikbaar van een ex-HTM AEC bus die destijds naar Argentinië waren
verkocht. Nu is deze bus teruggevonden in Uruguay, is eigendom van tram en
busfanaten in Uruguay. Het bedrijf C.O.E.T.C. heeft deze bus aan hen
geschonken en let vooral op het Verheul embleem dat nog steeds op het
front prijkt. Met deze ontdekking is het ons duidelijk geworden dat niet
alleen de 327 van het Haags Bus Museum de enige overlevende is, maar dat
in Zuid-Amerika ook een museumbus aanwezig is uit het bestand van HTM |
|
 |
|
Ton Dieben maakte deze
foto in Argentinië. Het is een van de ex-AEC's van HTM die destijds naar
Zuid-Amerika vertrokken. Daar werden deze bussen omgedoopt van AEC/Verheul
in ACLO/Verheul. In Buenos Aires hebben deze serie bussen op de lijnen 5,
43, 89 en 99 gereden. Op de foto een van deze bussen ergens in Bragado, op
zo'n 350 kilometer van Buenos Aires gelegen. |
|
 |
| Uniek mag dit wel genoemd worden, slechts
een enkele keer hebben de nieuwe bussen, die uiteindelijk voor
Zuid-Amerika waren voorbestemd, in de Hofstad een dienst gereden. We zien
hier de 581, die van de blokken was afgehaald, in orde werd gemaakt om er
een dienst mee te rijden om daarna weer opgelegd te worden. Uiteindelijk
werden deze bussen in een zilver kleur gespoten en door gebrek aan
personeel naar Zuid-Amerika verkocht. |
PLAN LEHNER
In 1959 werd het aantal autobussen van 337 naar 312
gereduceerd, waarbij in dat zelfde jaar 21 buslijnen werden geëxploiteerd,
terwijl de lijnen 15, 19 en 20 een verlenging kregen.
Na 1959 begon een daling zich langzaam maar zeker in te
zetten waardoor het busaantal in 1962 nog slechts 205 beliep, die voor de
dagelijkse dienst beschikbaar waren.
De problemen bleven zich opstapelen van onder andere de
ingevoerde 5-daagse werkweek, ontvolking van de binnenstad, de minder goede
ligging van de spoorwegstations enz.
|
 |
|
Jan Hamelmeer maakte deze
foto van de HTM AEC-585 kort voor zijn vertrek naar Zuid-Amerika. In
Zuid-Amerika zijn busfoto-groepen naarstig bezig te zoeken naar meer
foto's en informatie van onze HTM bussen, en wellicht zullen we in een
later stadium meer over dit onderwerp in dit boek naar buiten komen. |
Om uit deze problemen te geraken werd door HTM een
buitenstaander aangetrokken, Prof. Dr. Ir. K. Leibrand, verkeersdeskundige, die
echter na korte tijd zijn taak moest overdragen aan Dr. Ing. F. Lehner.
Het uiteindelijke eindrapport van zijn hand verscheen
pas in 1964 en het jaar daarop kon men de eerste fase van zijn plan tot
reorganisatie van het lijnennet ten uitvoer brengen.
In die jaren werd al gestreefd naar eenheidsmaterieel en
in samenwerking met de vervoersbedrijven in Rotterdam en Amsterdam werd door HTM
gestreefd naar een type standaardautobus. Dit zou een aanzienlijke korting
betekenen op de aanschafprijs.
|
 |
|
Op deze fraaie foto is te zien hoe de donker rode
DAF-standaardbussen langzaam maar zeker de geel-groene wagens uit het
straatbeeld gaan verdringen. |
In 1964 bezat HTM 205 bussen; deze bestonden uit 35
Kromhout TB50 (1952), 80 Kromhout TBZ100 (1956), 80 AEC 4A (1957) en 10 Kromhout
TBZ100 (1958).
Duidelijk was dat het wagenpark dringend aan vernieuwing
toe was zodat de essentie van de standaardisering op technisch- en economisch
gebied dringend gewenst was.
Deze noodzaak was tevens de start van een programma dat
voorzag in de aanschaf van 200 standaardbussen die over de jaren 1965 t/m 1973
zouden moeten worden geleverd.
Hierover zullen we in een later stadium in een nieuw
boekdeel uitgebreid op terugkomen.
Volgende Pagina