|
14. In de tang van de Duitse bezetter
De toestand werd voortdurend meer kritiek. Na 1 februari
1942 werden op zondagen geen busdiensten meer gereden, in het vervolg was men op
die dagen uitsluitend op tramvervoer aangewezen.
Een bijzonder moeilijke periode maakte men tussen 24
januari en 2 februari door. Wegens de veelvuldige sneeuwval en de strenge vorst
was het onmogelijk op enigszins regelmatige wijze de dienst te onderhouden.
Buslijn ‘R’ werd getroffen door de volgende beperkende maatregel: met ingang van
1 maart 1942 werd deze lijn opgeheven in verband met de inkrimping van de
diensten met maar liefst 25 % ...!
Vanaf 13 juni moesten iedere avond om 22.00 uur 4 bussen
naar het Binnenhof worden gebracht ten behoeve van het Rijkscommissariaat; de
volgende morgen moesten deze wagens weer teruggehaald worden.
 |
| Een mooie
foto van de '136', vastgelegd op 11 januari 1942 op het eindpunt aan de Alberdingk Thijmstraat. |
Hiervoor werden de vier Minerva’s ‘73', ‘75', ‘76' en de
‘77' gebruikt. Reeds op 20 juni verviel deze regeling. In het vervolg moesten 33
dieselbussen klaarstaan om bij alarm naar 3 verschillende verzamelpunten in de
stad te rijden.
Zéér krasse maatregelen werden door de directeur genomen
ter beperking van de steeds weer voorkomende diefstallen van brandstof, accu’s
en dergelijke artikelen die erg schaars waren geworden.
Dienstorder A.3507
vermeldt:
Uit de wagens, die ter beschikking van de Duitse
Wehrmacht in de autobusgarage zijn opgesteld is een hoeveelheid brandstof
gestolen.
Verder zijn uit de werkplaats 2 accu’s gestolen. Deze
diefstallen kunnen alleen door of met medewerking van eigen personeel zijn
geschied.
In verband met de hoogst ernstige vervolgen die
dergelijke diefstallen van goederen der Duitse Weermacht kunnen hebben, niet
alleen voor hen, die deze hebben begaan, doch ook voor alle andere personen die
in de autobusgarage voor, tijdens of na zoo’n diefstal aanwezig zijn
geweest, wordt aan ieder lid van het personeel opgedragen, onverwijld kennis te
geven aan zijn directe chef van ieder geval, waarbij men anderen die niet met
deze wagens te maken hebben, iets aan of in die wagens ziet verrichten.
Een ieder die wat ook van of uit deze wagens verwijdert
of voorbereidselen maakt zulks te doen, dan wel op enige wijze daarbij
behulpzaam is, alsmede degene, die, bemerkende dat een ander zich daaraan
schuldig maakt, nalatig is gebleven, hiervan onmiddellijk rapport uit te
brengen, zal aan de Duitse politie worden
uitgeleverd als verdacht van sabotage.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de buiten opgestelde
wagens.
‘S-Gravenhage, 22 juni 1942
DE DIRECTEUR
P.M. Montijn.
 |
Eveneens op die 11de januari 1942 op het
eindpunt aan de Alberdingk
Thijnstraat, de wagens '124' en de '128'. |
Dat onze bussen niet alleen voor nobele doeleinden
werden gebruikt, blijkt uit een opdracht voor een extra levering van 260 liter
dieselolie ten behoeve van bus nr ‘1' die twee ritten met gevangenen naar het
plaatsje ERICA in Drente moest maken. Deze ritten vonden op 24 en 26 juni 1942
plaats.
Met allerlei mooie praatjes trachtte de bezetter op 23
juni 1942 HTM wijs te maken dat het goed was om de niet direct voor de dienst
benodigde bussen in andere delen van ons land te plaatsen, zogenaamd om te
voorkomen dat bij een eventuele grote brand in de garage aan de Viaductweg een
belangrijk aantal bussen verloren zou gaan. De werkelijke reden was dat men
ernstig rekening ging houden met een invasie van troepen uit Engeland...!
De adjunkt-chef Autobusdienst-H.T.M. maakte daarover het
volgende bericht:
Op 23 juni 1942 bezocht ik het O.A.Abt.K,
‘s-Gravenlanscheweg 61 in Hilversum (tel. 5641/123), waar mij door Hauptmann
Schramm het volgende werd meegedeeld;
Het ligt in de bedoeling, de niet in dienst zijnde
autobussen uit de grote gemeenten in Nederland zooveel mogelijk over het land
te verspreiden, teneinde bij een grote brand niet een groot aantal tegelijk te
verliezen. Wij zullen daarom zoo spoedig mogelijk alle bussen, die niet voor de
stadsdienst in gebruik zijn, een bovengenoemde afdeling op nader aan te geven
plaatsen moeten inleveren. De wagens zijn geheel in onderhoud bij de Duitsche
Wehrmacht. Men laat de motoren tweemaal per maand lopen ter controle. Men wil
ook de 13 voor de Duitsche P.T.T. gereserveerde wagens en de 10 reservebussen
voor den R.K. nemen, eventueel ook een deel van de 20 bussen, die voor den R.K.
zijn gereserveerd. Ik heb erop gewezen, dat van de 20 bussen, die voor den R.K.
1 bus defect is en van de 10 reservebussen eveneens 1 bus, zodat het aantal van
10 reservebussen verminderd dient te worden tot 8.
 |
De '124' van lijn P medio juni 1942 aan
het eindpunt op de Thorbeckelaan. Let
op de opgelaste ijzeren punten op het aanhangwagentje, die het
(zwart)-rijden moest beletten. |
Voor het in orde brengen van de bussen kunnen wij op de
volle medewerking rekenen. Wij moeten voor elke bus op een staat aan het
O.A.Abt.K., opgeven, welke onderdelen nodig zijn; de staat in duplo aan
voorgenoemde afdeling inzenden, waarna wij een staat terugontvangen met
een verklaring, dat het R.K.P. de onderdelen, banden of accu’s tegen betaling
moet leveren.
Ik heb de aandacht erop gevestigd, dat 6 van onze
monteurs naar Duitsland zijn gezonden, zodat wij krap in het personeel zitten,
daar wij de lopende reparaties voor de stadsdiensten ook moeten doen.
Toegezegd werd, dat dan andere werkplaatsen het in orde
brengen van een aantal bussen zou overnemen. In het uiterste geval zou het dus
gaan om 30 niet in gebruik zijnde bussen, 13 van de P.T.T. en 8 reserve, totaal
51 bussen, eventueel verhoogd met een aantal van den R.K.
De wagens worden niet gebruikt: zoolang zij stilstaan,
wordt niets vergoed: zodat zij rijden, wordt volgens het in de maak zijnde
nieuwe Wehrmachtstarief, dat gunstiger zou zijn, dan het oude, vergoeding
gegeven. Er werd op gewezen, dat het in ons eigen belang zoo geregeld was, opdat
zij direct na den oorlog bruikbare bussen zouden hebben.
Wij moeten de bussen door onze chauffeurs naar de nader
bekend te maken plaatsen doen rijden. Verder behoeven wij de chauffeurs niet te
geven. Er was een ogenblik sprake van, dat wij chauffeurs zouden leveren voor
wagens, die in de buurt van den Haag zouden komen staan, doch toen ik erop wees,
dat het veel tijd in beslag zou nemen, voordat zij in alarmgevallen bij de
wagens konden zijn, is hiervan afgestapt.
Voor het ter plaatse leveren van de wagens wordt volgens
het nieuwe Wehrmachtstarief betaald.
Eind van deze of begin van de volgende week komt de
leider van de verzamelplaats, misschien twee leiders van verzamelplaatsen op het
kantoor Autobusdienst om de aflevering te bespreken. Die wagens, waaraan het
minste werk is, moeten het eerst in orde worden gemaakt. In elk geval rekent
men erop, de 13 bussen van de P.T.T. en de 8 bussen (reserve) van den R.K.
spoedig te ontvangen, hoewel ook met de andere bussen de meest mogelijke spoed
moet worden betracht.
Ik heb voorgesteld, dit met den leider van de
verzamelplaats te bespreken, waarmee men akkoord ging.
De wagens moeten van de nodige gereedschappen zijn
voorzien, opdat de chauffeurs een wiel kunnen wisselen en een carburateur- of
benzineleidingstoring kunnen verhelpen. Voor zoover deze niet aanwezig zijn,
moeten zij ook via het R.K.P. worden ontvangen.
Met nadruk is mij gezegd, noch de P.T.T., noch de R.K.
van een en ander mededeling te doen, daar beiden bericht van het O.A.Abt.K,
zullen krijgen.
 |
HTM-personeel in de rij voor het
verkrijgen van bijvoeding. Dit was in de
regel een warme maaltijd. Dit moest ook wel om de mannen op krachten te
houden! |
Zo’n transport vond plaats op 4 juli 1942 naar de Willem
I kazerne in Den Bosch, bestaande uit 4 bussen van de serie 86 t/m 99, de 12 t/m
15 en de 9, 10 en de 111.
In deze volgorde werd ook gereden. In totaal werden 7
juli 19 bussen aan de Wehrmacht Befehlshaber in Den Bosch beschikbaar gesteld
(verhuurd). Het betrof de bussen: 56, 58, 59, 71, 85, 92, 94, 95, 96, 98, 99,
111 en de 9 t/m 15.
Op 11 juli werden nog de volgende bussen gevorderd; 100,
105, 106 en de 109.
In totaal werden dit jaar 54 bussen door de Duitsche
Wehrmacht gevorderd en gehuurd.
Aan het eind van het jaar waren voor de dienst op de
lijnen de volgende bussen beschikbaar: 31 bussen met
houtgasgeneratoraanhangwagen, nummer ‘8', 112 t/m 141 en 4 Kromhout dieselbussen
nummer 1 t/m 4.
Van de overige wagens waren er 20 ‘sichergestellt’ voor
de Sonderfahrbereitschaft der Reichkommissars, 2 bussen zeker gesteld door de
Duitsch Wehrmacht en 54 bussen in huur gevorderd eveneens door de Duitsche
Wehrmacht. Bovendien waren van de bussen 112 t/m 141, 13 wagens beschikbaar voor
de Sonderfahrbereitschaft voor de Deutsche Dienst Post.
 |
|
Mei 1942, bus '129' tijdens een dienst op
lijn P. |
Turf moest in 1942 het toenemende gebrek aan hout voor
de generatorbussen compenseren. In totaal verbruikten in genoemd jaar de bussen
aan hout en turf 1.361.318 kg., goed voor het afleggen van 827.548 km. en het
vervoeren van 5.431.086 reizigers, 165.000 minder dan in 1941.
De trams zagen in 1942, 25 miljoen reizigers meer in de
rijtuigen en bereikten daarmee een totaal van bijna 74 miljoen....!
Omtrent de jaarwisseling waren alleen de lijnen ‘P’ en
‘T’ in exploitatie zodat van openbaar vervoer nauwelijks sprake was. Ondanks de
vele beperkingen steeg het aantal reizigers (per 100 kilometer) voortdurend. Ook
in 1943 steeg dit aantal nog.
1942 Tram 92,1 % reizigers
Bus 7,9 % reizigers
1943 Tram 93 % reizigers
Bus 7 % reizigers
Aantal reizigers per 100 wagenkilometers
------------------------------------------
1942 Tram 680
Bus 849
1943 Tram 948
|