5 Minerva toerbussen, voor 32 en 8
personen, met openschuifbaar dak.
Is totaal 10 benzinebussen.
14 Minerva bussen voor 40 en 8
personen,
27 Kromhout bussen voor 40 en 8
personen,
20 Kromhout bussen voor 39 en 13
personen en
30 Kromhout bussen voor 36 en 16
personen allen uitgevoerd met Kromhout dieselmotor.
Is totaal 91 dieselbussen.
In totaal 101 bussen. Verder waren
aanwezig, 2 zandstrooiwagens merk Minerva en een 1 geldtransportwagen merk
Ford V-8.
Op 31 december 1940 bedroeg het
aantal bussen 98, terwijl buitendien nog 13 wegens veroudering buiten dienst
gestelde benzinebussen met het oog op onvoorziene omstandigheden aangehouden
werden.
De samenstelling van deze bussen
is als volgt:
5 Minerva toerbussen voor 28 en 8
personen met openschuifbaak dak,
4 Minerva toerbussen voor 32 en 8
personen met openschuifbaar dak.
Is in totaal 9 benzinebussen.
13 Minerva bussen voor 40 en 8
personen,
25 Kromhout bussen voor 40 en 8
personen,
20 Kromhout bussen voor 39 en 13
personen en
30 Kromhout bussen voor 36 en 16
personen.
Is totaal 88 dieselbussen.
1 Kromhout bus voor 40 en 8
personen met houtgasgenerator op aanhangwagentje.
Totaal 98 voor de dienst bestemde
bussen.
Verder nog aanwezig: 1
zandstrooiwagen, met Minerva, 1 trachtor, merk Minerva, bestemd voor de in
ombouw zijnde generatorbussen en 1 geldtransportwagen, merk Ford V-8.
Verkocht en gevorderd materieel.
2 Benzinebussen zijn aan
particulieren verkocht.
4 Benzine- en 2 dieselbussen zijn
na vordering aan de Duitse Weermacht verkocht.
De Kromhout / Gardner Dieselmotor
type 4 LW van bus nummer ‘8’ is door de Kromhoutfabrieken te Amsterdam
omgebouwd tot houtgasmotor. De generatorinstallatie type Imbert-Kromhout is
op een 2-wielig aanhangwagentje gemonteerd.
Begin december 1940 werd een
bestelling geplaatst bij de Kromhoutfabrieken voor de levering van nog 30
aanhangwagens met Imbert Gasgeneratoren en de ombouw van 30 dieselmotoren
tot houtgasmotoren. De generatorinstallatie met aanhangwagentje van bus
nummer ‘8’ zal tegen Imbert Gasgeneratorinstallatie worden ingewisseld.
De aflevering moet einde februari
1941 beginnen met 3 stuks per week. Eén van de zandwagens werd omgebouwd tot
tractor voor het slepen van de generatorwagens.
ALGEMENE TOESTAND over het jaar 1943.
Het vervoer is ook gedurende het
jaar 1943 verder toegenomen en wel met 20 procent vergeleken met het jaar
ervoor. Ter verkrijging van de vereiste stroom- en brandstofbesparing moest
het aantal wagenkilometers en buskilometers ten opzichte van 1942 met 12
procent verminderd worden. De in het verslag over 1942 vermelde
overbezetting van de rijtuigen is in dit verslag derhalve met 36,5 procent
groter geworden.
Uit het zeer abnormaal hoge aantal
reizigers per wagenkilometer blijkt, dat het materieel sterk overbelast is
moeten worden. Dit alsmede andere uit de tijdsomstandigheden voortvloeiende
oorzaken hebben een belangrijk meerdere slijtage tengevolge gehad, die de
reservering van aanzienlijke bedragen noodzakelijk maakt.
De toename van de totale
ontvangsten aan personen- en goederenvervoer, reclame en diversen in de
beide semesters van het jaar 1943, vergeleken met die van het jaar 1942
namen met 19,2 procent toe.
Het onderhoud en reparaties aan de
bussen gaven hoofdbrekens.
De bandenpositie, zowel van de
autobussen als van de generatoraanhangwagens, is in de loop van 1943 sterk
achteruit gegaan.
Het onderhoud aan de generatoren
vraagt veel arbeid. Sinds de in bedrijfneming moesten voor de tweede maal
alle cycloons en koelers vernieuwd worden. Verder zijn alle binnenketels,
alle bovendeksels en de pijpen onder de bussen vernieuwd, terwijl een groot
deel van de buitenketels geheel of gedeeltelijk vernieuwd moest worden.
Tengevolge van de mindere
kwaliteit van de smeerolie en de grote spaarzaamheid, die bij de smering
moest worden toegepast, zijn een abnormaal groot aantal drijfstanglagers
weggesmolten.
AUTOBUSLIJNEN het wel en wee.
Met ingang van 10 augustus 1943
moest buslijn P wegens gebrek aan banden opgeheven worden. Aangezien de
exploitaties van de buslijnen K, L, M, N, R en S, alsmede die van de lijn op
Ypenburg reeds eerder gestaakt waren moeten worden, bleef van 10 augustus af
alleen buslijn T nog met een zeer beperkt aantal ritten in bedrijf.
Indien geen verbetering intreedt
in de bandenpositie zal ook deze laatste buslijn in de loop van het volgende
jaar opgeheven moeten worden.
Behalve door gebrek aan banden en
brandstoffen, tengevolge waarvan verscheidene wagens stilgezet moesten
worden, kwamen geen ernstige technische storingen voor.
De inruktijden van de busdiensten
ondergingen overeenkomstige wijzigingen als die, welke voor de tramdiensten
zijn vermeld.
Schouwburgritten.
Schouwburgritten werden slechts
gemaakt van 10 t/m 20 december na afloop van het Duitse Theater.
Ritten voor de bezettende macht.
Ten behoeve van het personeel van
het Duitse Theater vonden geregeld extra vervoeren plaats. Verder werden nog
enige vervoeren ten behoeve van de bezettende macht in het binnenland
uitgevoerd.
Alle overige bijzondere diensten,
zoals rondritten, Postgiroritten, extra vervoer enz. zijn uitgevallen.

AUTOBUSMATERIEEL het wagenpark.
Op 1 januari 1943 bedroeg het
aantal autobussen als volgt:
31 Generatorbussen met
houtgasgenerator op aanhangwagens,
58 Dieselbussen,
9 Benzinebussen,
13 Benzinebussen, buiten gebruik
gesteld doch voor onvoorziene omstandigheden bewaard gebleven materieel.
111 bussen in totaal.
Hiervan werden in de loop van 1943
door de bezettende macht aangekocht: 39 dieselbussen en 1 benzine bus.
Buitendien werd nog beslag gelegd
op 4 dieselbussen.
De Vennootschap heeft derhalve
thans nog 67 bussen in eigendom.
Van deze 67 bussen zijn echter de
volgende bussen aan haar beschikking onttrokken:
5 Dieselbussen, verhuurd aan de
Reichsstatthalter te Hamburg; deze bussen doen dienst bij de Hamburger
Hochbahn.
5 Dieselbussen, ingedeeld bij de
Fahrbereitschaft des R.K.
9 Benzinebussen, ingedeeld bij de
Fahrbereitschaft des R.K.
1 Benzinebus, verhuurd aan de
N.S.D.A.P.
11 Benzinebussen, verhuurd aan de
Duitse Weermacht.
31 Bussen aan onze beschikking
onttrokken. Hiervan worden 4 benzinebussen in onze Busgarage Viaductweg
gestald, de overige verhuurde wagens zijn elders ondergebracht.
In eigendom en ter beschikking van
onze Vennootschap waren per 31 december 1942 dus in totaal nog aanwezig:
36 bussen, welke ondergebracht
zijn in de Busgarage Viaductweg.
13 Van deze bussen stonden op 31
december wegens bandengebrek op blokken, 23 bussen waren derhalve nog
beschikbaar voor de dienst op de enig overgebleven buslijn ‘T’.
Dit materieel bestond uit;
22 generatorbussen,
1 dieselbus, gemonteerd op lichte
banden.
Van deze 23 nog voor de dienst
beschikbare bussen moeten, onder bepaalde omstandigheden, echter 5 stuks aan
de Weermacht geleverd worden, terwijl 13 stuks ingedeeld zijn in de
Sonderfahrbereitschaft van de Deutschen Dienstpost.
In de garage aan de Viaductweg
zijn ondergebracht:
36 eigen bussen en 4 bussen van de
Fahrbereitschaft R.K. dus in totaal 40 bussen.
ALGEMENE TOESTAND over het jaar 1944.
De eerste 8 maanden van het jaar
1944 geven, in verband met de nog van weinig betekenis zijnde gedwongen
beperkingen in de tramdiensten, maandelijks wederom hogere vervoerscijfers,
in vergelijking tot dezelfde maanden van het jaar 1943. Eerst in september
werden geleidelijk aan de dagelijkse rijtijden, met het oog op de vereiste
stroom- en brandstofbesparing, in belangrijke mate ingekrompen en werd de
enig overgebleven buslijn geheel stopgezet, als gevolg van de vordering van
alle nog beschikbare autobussen. Op het einde van dezelfde maand moest de
dienst op de stadstramlijnen op zondagen gestaakt worden. Uiteindelijk
hebben de maatregelen van de Duitse bezetting geleid tot stillegging van het
gehele stadstrambedrijf met ingang van 17 november 1944, terwijl op de
intercommunale lijnen slechts enkele ritten per dag, speciaal ten behoeve
van de voedselvoorziening konden worden gereden. Het gevolg van deze voor
het bedrijf zeer ingrijpende maatregelen was vanzelfsprekend, dat de
ontvangsten snel daalden en in de tweede helft van november en in december
vrijwel geen reizigersontvangsten konden worden geïnd. Indien een
vergelijking wordt gemaakt tussen het totale vervoer gedurende die
overzichtsjaar en dat van het jaar daarvoor, dan blijkt dit met 18,6 procent
te zijn afgenomen. Het aantal gereden wagenkilometers en buskilometers is
ten opzichte van 1943 met 26,4 procent verminderd. De overbezetting van de
rijtuigen van dat jaar, als gevolg enerzijds door de beperking van de
tramdiensten onder meer wegens gebrek aan materialen voor het onderhoud van
het rollend materieel, nog groter geworden.
Door het zeer abnormaal hoge
aantal reizigers, dar per wagenkilometer is vervoerd moeten worden, is het
rollend materieel aan sterke overbelasting onderhevig geweest. De belangrijk
meerdere slijtage, welke door deze regelmatige overbelasting is ontstaan,
alsmede andere uit de tijdsomstandigheden voortvloeiende oorzaken, hebben de
technische levensduur van het materieel in hoge mate bekort, waardoor de
reservering van aanzienlijke bedragen noodzakelijk is geacht.
Het is van belang om in grove
trekken op deze plaats de toestand te schetsen, waarin de eigendommen van de
Maatschappij door maatregelen van de Duitse bezetting in het jaar 1944 zijn
komen te verkeren.
Door de aanleg van vestingwerken
in het kustgebied en het graven van een antitankgracht, in hoofdzaak
evenwijdig aan de kustlijn, zijn verschillende tramlijnen doorgesneden
geworden en die lijngedeelten, welke in het kustgebied doordringen van het
verdere stadsnet gescheiden geworden, waardoor de exploitatie van de
afgesneden lijngedeelten niet meer mogelijk was. Verschillende
baangedeelten, inclusief bovenleiding, gelegen in het kustgebied, moesten
worden afgebroken en de vrijkomende materialen afgevoerd. De intercommunale
lijn Dan Haag – Wassenaar – Leiden werd eveneens doorsneden door een
antitankgracht en moest in verband daarmee geleid worden over het stadsnet.
Tal van eigendommen van de
Maatschappij, zoals ondermeer wachthuizen en abri’s, werden ernstig
beschadigd door het publiek, als gevolg van de algemeen heersende
brandstoffennood, terwijl de grote gebouwen veelal geleden hebben van
onvoldoende onderhoud en ingebruikneming door de bezettende macht.
Wat het rollend materieel betreft,
werd van ongeveer 20 procent, uitmakende 45 motortramwagens, 42
aanhangwagens en 4 pekelwagens, de gedwongen verkoop aan de bezettende macht
geëist. Slechts een klein gedeelte hiervan werd in de laatste maand van 1944
weggehaald en afgevoerd.
Van het gehele autobuspark was aan
het einde van 1944 geen enkele autobus meer ter beschikking van de
Vennootschap, door gedwongen verkoop of inbeslagname.
De vooruitzichten voor het nieuw
ingetreden jaar (1945) kunnen niet anders dan zeer somber worden genoemd. In
de stilstandperiode van het bedrijf staan tegenover omvangrijke uitgaven aan
lonen, salarissen en vaste lasten vanzelfsprekend geen ontvangsten.
Nadat in de vesting Clingendael de
route van de enig overgebleven buslijn ‘T’ reeds enige malen gewijzigd was,
moest deze lijn met ingang van 25 januari 1944, wegens het sluiten van de
vesting in twee gedeelten gesplitst worden, waarbij gereden werd tussen de
van Alkemadelaan en de versperring en tussen de versperring en Spoorwijk.
Het aantal ritten moest geleidelijk verminderd worden, wegens gebrek aan
banden totdat van 6 september af de dienst geheel stilgelegd moest worden,
daar al het beschikbare materieel door de Duitse Weermacht gevorderd werd.
AUTOBUSMATERIEEL het wagenpark
Op 1 januari 1944 bedroeg het
aantal autobussen:
31 Generatorbussen met
houtgasgenerator op aanhangwagens,
15 dieselbussen,
8 benzinebussen,
13 benzinebussen, buiten gebruik
gesteld doch voor onvoorziene omstandigheden bewaard gebleven materieel.
67 bussen totaal
Hiervan werden in de loop van 1944
door de bezettende macht aangekocht:
11 benzinebussen,
15 houtgasbussen,
7 dieselbussen.
De Vennootschap had derhalve op 31
december 1944 nog 34 bussen in eigendom. Deze 34 bussen waren echter alle
aan haar beschikking onttrokken, namelijk ‘Sichergestellt’ door de Duitse
Weermacht:
18 Generatorbussen,
1 benzinebus,
verhuurd aan de Duitse Weermacht:
4 benzinebussen,
verhuurd aan civiele Duitse
instanties:
6 dieselbussen en
5 benzinebussen.
Daar de ‘sichergestellte’ bussen
diverse defecten vertonen, de aan verschillende Duitse instanties verhuurde
bussen steeds voor oorlogsdoeleinden gebruikt zijn geworden, dat het
autobuspark grotendeels als verloren is te beschouwen.
ALGEMENE TOESTAND over het jaar 1945.
Het boekjaar ving aan in de
DONKERSTE DAGEN van de tijd van de Duitse bezetting, in een periode,
waarin de Vennootschap onder meer uit financieel oogpunt, de moeilijkste
tijd doormaakte sinds haar oprichting. De stillegging van vrijwel het gehele
vervoer, welke op 17 november 1944 aanving, heeft zich voortgezet tot circa
een maand na de bevrijding. Met uitzondering van het technische personeel,
het grootste deel van het kantoorpersoneel en enkele kleine groepen, welke
buiten het bedrijf te werk konden worden gesteld, kon het personeel, als
gevolg van deze stillegging, niet in de gelegenheid gesteld worden
arbeidsprestaties te leveren. In de eerste maanden van 1945 werden een groot
aantal gevorderde motor- en aanhangwagens door de Duitse bezetting naar
Duitsland afgevoerd. Op 22 februari werd, bij een bombardement, aan het
hoofdkantoorgebouw zoveel glasschade aangericht, dat, mede met het oog op
het levensgevaar, besloten moest worden dit kantoor te ontruimen en de
administratieve afdelingen tijdelijk onder te brengen in de
kantoorlokaliteiten van de technische dienst aan de Lijsterbesstraat en in
de remise Frans Halsstraat.
De oud-chef van Beweging, de heer
R.Huisman sr., die hoewel gepensioneerd zijnde, zijn zeer gewaardeerde
diensten aan het bedrijf verleende, werd door dit bombardement, tijdens de
uitvoering van zijn kantoorwerkzaamheden, door een bomscherf dodelijk
getroffen.
Het bedrijf heeft in de heer
Huisman een hoogst verdienstelijke oud-hoofdambtenaar verloren.
Het grote bombardement op 3 maart
veroorzaakte ernstige schade aan sporen, bovenleiding en andere eigendommen
van de Maatschappij zowel op het stadsnet als op de buitenlijnen. Bovendien
werd op 22 maart de tramremise aan de Harstenhoekweg te Scheveningen en het
daarin aanwezige rollend materieel vrij ernstig door bommen beschadigd.
Onmiddellijk na de bevrijding
werden de reeds getroffen voorbereidingen tot herstel van de sporen en
bovenleiding op stads- en buitenlijnen met kracht tot uitvoering gebracht,
zodat op 11 juni 1945 de tramdienst, hoewel, als gevolg van de geringe
toewijzing van elektrische stroom, op beperkte schaal, uitsluitend op
werkdagen, kon worden hervat op een aantal stadstramlijnen, op de Delftse en
Voorburgse lijn en op een gedeelte van de Leidse lijn.
Bij de hervatting van de
tramdienst waren voor de stadslijnen 81 motortramwagens en 144 aanhangwagens
in rijvaardige toestand beschikbaar.
Het bedrijf beschikte echter over
geen enkele rijvaardige autobus, terwijl, tengevolge van de omstandigheid,
dat op de autobusgarage met werkplaats aan de Viaductweg tot begin 1946
beslag werd gelegd door het Militair Gezag, er tot het einde van 1945 geen
mogelijkheid bestond de enkele nog aanwezige en in de loop van het jaar uit
de verschillende opslagplaatsen voor oorlogsmateriaal teruggehaalde
autobussen te herstellen, zodat de dienst op de autobuslijnen in 1945 nog
niet kon worden hervat. Het gevolg van de stilstand van het tram- en
autobusbedrijf tot 11 juni was, dat gedurende het eerste halfjaar
uitsluitend exploitatie-uitgaven werden gedaan, waartegenover vrijwel geen
reizigersontvangsten stonden.
AUTOBUSMATERIEEL het wagenpark.
Op 1 januari 1945 bedroeg het
aantal autobussen:
18 Generatorbussen,
10 benzinebussen,
6 dieselbussen,
Welke echter alle door de Duitse
bezetting aan onze beschikkingsmacht onttrokken waren.
Bij de bevrijding bleken nog
slechts aanwezig te zijn;
17 Generatorbussen, zonder banden,
5 benzinebussen, waarvan 1 met
defecte motor, alle zonder wielen en banden en in zeer verwaarloosde
toestand.
Geleidelijk zijn uit de
opslagplaatsen voor oorlogsmateriaal teruggekocht of op andere wijze
terugverkregen: 26 Kromhoutbussen, waarvan 3 stuks gesloopt moeten worden en
1 Minerva bus, zodat op 31 december 1945 aan bruikbaar te maken bussen
aanwezig waren:
40 Kromhout bussen,
1 Minerva bus.
41 bussen totaal.

Pogingen tot herstel van het wagenpark.
Deze bussen zijn alle volledig
afgeschreven, met dien verstande, dat hiervan 18 stuks, welke in de garage
aanwezig gebleven, voor ƒ 1,- per stuk te boek staan.
Alle bussen verkeren in zeer
deplorabele toestand. De carrosserieën zijn in reparatie gegeven bij de
firma’s Pennock in Den Haag en Beijnes in Haarlem. De motoren moeten alle
een grote revisie ondergaan, mede doordat het merendeel op houtgas heeft
gelopen. Van deze laatste zijn de cylinderblokken aan de firma Enkes te
Voorburg in behandeling gegeven, waartoe reeds in september 1943 maatregelen
waren getroffen. Bij de in reparatie gegeven carrosserieën is aan de
fabrieken tevens opdracht verstrekt een toegangsdeur te maken in de
achterzijde van de rechter zijwand, een zitplaats voor de conducteur aan te
brengen en ter verkrijging van een ruimere doorloop, de rechter rij dubbele
zitbanken in enkele zitbanken te veranderen.
Na herstel zullen de bussen weder
op de balans opgevoerd worden.
Ten einde het autobusbedrijf zo
snel mogelijk weer op gang te brengen, werd in december 1945 een voorlopige
bestelling geplaatst op 10 Chausson autobussen, die geheel compleet uit
Frankrijk zullen komen, doch waaraan enkele wijzigingen aan de carrosserieën
zullen worden aangebracht.
Tenslotte lopen er nog een aantal
bussen elders in het land voor werkliedenvervoer, waarvan getracht wordt,
deze zo spoedig mogelijk weer in ons bezit te krijgen.
En…zo zijn we aan het einde
gekomen van dit wel bijzondere verslag dat u meeneemt in een tijd van
onderdrukking en machteloosheid. Met vallen en opstaan is het HTM toch
gelukt om in die donkere tijd zo lang mogelijk op de been te blijven.
Veel leesgenoegen, Bart Rijnhout