|
Mooie kaart!
Klaaswaal, op een rustige donderdagmiddag.
Een moeder met een jongen van een jaar of 3 stapt bij mij de bus in.
Ze stempelt netjes en gaat samen met haar zoontje op de vierzits zitten achter
mij.
Na een paar minuten begint het jongentje te jammeren. Hij wil ergens anders
zitten.
Moeder vind het best, zolang ze maar naast hem kan zitten.
Ze verhuizen naar de andere vierzits. Na enige minuten begint hij weer te
jammeren.
Ze verhuizen nét na de achterdeur. En na op de achterbank te hebben gezeten zijn
ze weer terug beland op de vierzits waar ze als eerste gingen zitten.
De moeder van het ventje begon dit, net als ik, een beetje vervelend te vinden
en ze zei dat ze niet meer ging verzitten. Maar, je raad het al, het ventje
begon zoals gewoonlijk deze rit weer te jammeren. Maar nu wilde hij op het
allereerste plekje zitten. Alleen wel te verstaan.
Het éénzittertje word regelmatig door wat ouderen van dagen en busfreaks
bezeten, doch nu was deze vrij.
De moeder probeerde het jong ervan te weerhouden om daar te gaan zitten, maar
kwam alleen met het argument dat ze dan niet naast hem kon zitten.
Het ventje zei direct erop: Je kan toch achter me zitten!
Het ventje bleef maar doorzagen. Ik schoot de moeder te hulp omdat het vrij
irritant werd.
Ik zei tegen het jongentje: Om op deze plaats te zitten moet je een héle mooie
kaart hebben.
Niet een normale mooie kaart, maar echt een hele mooie kaart.
Het ventje wendde zich tot zijn moeder. ‘Mam, hebben wij zo’n mooie kaart?’
‘Ik weet het niet,’ zei zijn moeder. ‘Ga dat maar vragen.’
Ze gaf hem de strippenkaart en het ventje liet hem zien.
‘Nee, dat is niet mooi genoeg…’ zei ik.
Het ventje ging beteuterd naast zijn moeder zitten. Maar moeder was zichtbaar
voldaan en gaf mij via de binnenspiegel een knipoog.
Na 2 of 3 halte’s kwam er een oud vrouwtje binnen. Met een stok en bibberend nam
zij plaats op het eerste plekje.
Vol verbazing keek het jongetje naar de oude vrouw.
Op het busstation aangekomen ging de moeder staan, Nam het ventje bij de hand en
trok hem mee naar de voordeur om uit te stappen. Bij het passeren van het oude
vrouwtje keek het jongetje vrij nijdig naar het oudere dametje en zei: ‘Heb jij
wel zo’n mooie kaart? Anders mag je hier niet zitten hoor!’
|